Jullie samenwerking begon in 2014, inmiddels meer dan tien jaar geleden. Hoe hebben jullie elkaar destijds ontmoet?
DAMIEN JALET Ik ontdekte het werk van Kohei in 2013, toen ik met een voorstelling aanwezig was op de Setouchi Triënnale in Japan. Tien minuten voor sluitingstijd ging ik naar de bovenste verdieping, en daar zag ik zijn installatie Foam: een wolk van zeepschuim die me deed denken aan een rotsformatie, of aan zwarte zandhopen. Het was een werk dat me echt opzoog: als je erdoorheen liep, veranderde het compleet van vorm. Ik voelde me als het ware opgenomen in iets heel organisch.
KOHEI NAWA Ja, en je zou ook kunnen zeggen: wat ons verbindt is niet enkel ons werk, maar ook Japan.
Jullie hebben samen al eerder drie opvallende producties gemaakt: VESSEL (2014), Mist (2020) en Planet[wanderer] (2021). Met Mirage maken jullie voor het eerst een voorstelling speciaal voor het Ballet du Grand Théâtre Genève. Is er een verband tussen al die producties?
KN Ik denk inderdaad dat ze alle vier intrinsiek met elkaar verbonden zijn. Om dat uit te leggen begin ik even bij het voorbereidende werk voor Planet[wanderer], want daar is ook het centrale element van deze voorstelling uit voortgekomen. Bij die voorbereiding stonden we stil bij onze manier van leven en onze verhouding tot de wereld. In 2020 leefde iedereen door de pandemie geïsoleerd en opgesloten, en toch draaide de wereld gewoon door. Dat was een heftige periode, en ik vroeg me af wat mensen ertoe aanzette om toch door te gaan. Daar hadden Damien en ik het over, en we beseften dat blijkbaar een vorm van hoop mensen gaande hield. Als je je de wereld voorstelt als een woestijn, dan lopen mensen door omdat er in de verte iets is, een soort luchtspiegeling – zo stel ik me dat ongeveer voor. Ze hopen op de volgende etappe, of die luchtspiegeling nou echt bestaat of niet.
DJ Zo zijn er inderdaad veel elementen die voortbouwen op wat we voor Planet[wanderer] hadden ontwikkeld, met name dat idee van omzwerven. In het eerste deel van dat stuk werden de dansers voorgesteld als rotsen, of als een soort planten die geworteld zijn in een bewegende bodem. Pas in het tweede deel verscheen de mens, toen de dansers begonnen te lopen. In Mirage is dat proces omgekeerd: daar beginnen we met de mens. De dansers zijn gekleed en dolen rond alsof ze verdwaald zijn in een woestijn, volledig uitgedroogd – zowel fysiek als geestelijk. Wat hen voortdrijft is die hoop ergens in de verte. Kohei heeft een ruimte bedacht waarin dat idee wordt versterkt door de horizon centraal te stellen. Voor mij is dat een metafoor voor de toekomst: een luchtspiegeling die je aan het twijfelen brengt over wat je ziet.
De scenografie is echt een fysieke uitdaging. Hoe beïnvloedt dat het werk van de dansers?
KN De scenografie is gedacht als een grote golf waarover de dansers zich voortdurend verplaatsen. Dat verplaatst hun zwaartepunt, zodat ze met moeite overeind kunnen blijven, zo steil is dan die helling van de vloer. Daar komt dan nog mist bij, en waterdruppels, en de pailletten die uit de lucht vallen en de dansers overdekken.
DJ Die scenografie stelt de dansers inderdaad zwaar op de proef. Alles is gedacht rond de relatie tussen de danser en zijn of haar zwaartepunt. Daar hadden we met het Ballet du Grand Théâtre al aan gewerkt voor Skid (2022), maar nu is de hellingshoek steeds weer anders en moeten de dansers voortdurend bewegen tussen een horizontaal en een bijna verticaal grondvlak. Ik vind het een boeiend idee dat de mens zich voortdurend opnieuw moet aanpassen aan zijn omgeving, en ik denk dat we dat eigenlijk altijd zouden moeten doen, in plaats van de omgeving te dwingen zich aan te passen aan ons.
De dansers dwalen door een woestijn. Waarom juist zo’n omgeving?
DJ De woestijn is een interessant thema dat regelmatig terugkeert in ons werk, maar vooral in Mirage. Het hangt ook samen met het beeld van de oase: dat kleine eilandje waar wél water is en waar planten kunnen groeien. Als je de aarde vanuit de ruimte bekijkt, zie je dat de dichtst bevolkte plekken altijd bij water liggen, en overal heeft de mens zich aan zijn omgeving aangepast. Maar er zijn uitzonderingen – Dubai bijvoorbeeld, waar de omgeving is aangepast om een stad te bouwen die wel een luchtspiegeling lijkt. Ik vind het ook een mooi idee dat de aarde zelf een oase is in een woestijn als de ruimte. Voor deze voorstelling hebben we ons daarom laten inspireren door twee omgevingen: het zandduin en de oceaan. Daarmee is het een dialoog tussen een kleurloze droge ruimte en het moment dat er een kleurrijke regen valt.
Ook het water keert vaak terug.
DJ Dat klopt. Water is een essentieel element in ons werk. VESSEL had een watervloer, in Mist gebruikten we water in dampvorm, en Planet[wanderer] was een volledig droge omgeving met een soort energieputten. In Mirage zit je in een wereld waar de mens de waterkringloop lijkt te hebben ontregeld. Ik vind het ook interessant dat water een soort goddelijk element is: in de wetenschap staat het voor het ontstaan van leven, terwijl het in sommige mythologieën juist symbool staat voor de dood.
Welke betekenis heeft het verschijnen van kleur in deze voorstelling?
KN In het tweede deel, na de tocht, valt er als het ware een regen van gekleurde pailletten uit de lucht die de lichamen van de dansers overdekt, en dat zet dan een soort transformatie of metamorfose in gang. Die kleuren komen niet zomaar uit de lucht vallen. Ik heb dat gekozen als metafoor voor de planeten. Wij leven op aarde, maar blijkbaar zijn er ook andere mogelijkheden: ergens bestaat een elders. De lichamen tooien zich als het ware met die verschillende mogelijkheden.
DJ Toen ik voor het eerst de dansers met hun door kleur getransformeerde huid zag, moest ik denken aan bepaalde insecten. Daar zie je ook vaak zo’n ongelooflijke combinatie van warme en koude kleuren, met allerlei glanseffecten die het licht in meer of mindere mate weerkaatsen. Wat me bij insecten ook fascineert, is hun vermogen tot een snelle en radicale metamorfose. Denk maar aan een vlinder: die leeft eerst lange tijd in de aarde, om dan na een soort wedergeboorte slechts heel kort rond te vliegen. Dat is ook wat we in VESSEL deden: de lichamen draaiden zich in elkaar en vormden dan plotseling een nieuw soort organisme. De mensheid heeft de neiging zichzelf als onveranderlijk te zien, maar onze samenleving verandert voortdurend. Dat heeft onvermijdelijk een grote weerslag op onze leefwijze, en ook op ons lichaam. In Mirage voltrekt die verandering zich door de komst van water dat neerdaalt over de woestijn waar het planten en kleuren laat opkomen, zoals in een tropisch oerwoud. Misschien moeten we de wereld niet zien als een plek die we moeten beheersen en controleren, maar als een element waar we deel van uitmaken. We leven tegenwoordig in een krankzinnige tijd die sterk in beweging is, met talloze sociale codes en verschillende manieren van zijn en bestaan, en dus ook van metamorfose.
Jullie werk lijkt te getuigen van een optimistische kijk op de wereld.
DJ Er zit altijd van beide wat in. Er is nooit stilstand, en ook nooit zoiets als een einde. Planet[wanderer] leek behoorlijk apocalyptisch, maar toch ging het zelfs daar niet om de dood als zodanig. Het ging eerder om een toestand van transformatie, en daarin ligt altijd een zekere hoop besloten. Het is net als in The Wizard of Oz: het begint in een heel realistische maar monochrome wereld, en vervolgens beland je in een andere werkelijkheid die juist heel kleurrijk is. Dan ga je je afvragen welke werkelijkheid echt is en welke een droom. In Mirage spelen we met die wisselende werkelijkheden en met wat niet werkelijk lijkt. Net als in een droom zitten er in dit werk veel onvoorspelbare factoren en tegenstrijdige energieën. In feite kan deze voorstelling – afhankelijk van wie je bent en wat je hebt meegemaakt – hoop oproepen of juist het tegenovergestelde. Daarom kan ik als maker niet bepalen of het geheel optimistisch of pessimistisch is. Dat is namelijk precies de bandbreedte waar we geen controle over hebben en die we openlaten voor de interpretatie van de toeschouwer. Maar ik ben er wel van overtuigd dat het stuk iets heel vredigs heeft.
Hoe vertaalt zich dat in de choreografie?
DJ Aan dit werk is heel gevarieerd onderzoek voorafgegaan, en er zitten dus ook heel verschillende scènes in. Sommige momenten zijn ongelooflijk snel, fysiek en intens; andere momenten zijn weliswaar heel rustig en bijna meditatief, maar die hebben dan toch een sterke onderliggende spanning. Dat vraagt van de dansers om met elkaar verbonden te blijven, zonder dat die verbinding noodzakelijkerwijs via oogcontact tot stand komt. In Mirage voegen we ook elementen toe die de manier van bewegen beïnvloeden. Overigens heeft van onze vier producties deze waarschijnlijk de meeste ‘hoofdstukken’, met vooral een belangrijke cesuur tussen het eerste en het tweede deel, want die onderscheiden zich van elkaar met elk een eigen esthetiek en een eigen choreografische taal. In het eerste deel is alles heel mathematisch en precies en is er nauwelijks fysiek contact tussen de dansers, terwijl in het tweede deel alles intiemer en sensueler is, met veel toenadering en meer ruimte voor intuïtie.
Hoe gaan jullie die luchtspiegelingen en fata morgana’s zichtbaar maken?
KN Door te spelen met licht, kleuren en regen. We zochten een manier om die regen gecontroleerd te laten vallen, en we kwamen uit op een systeem dat de waterdruppels spiraalsgewijs rond de dansers sproeit. In combinatie met het licht geeft dat de illusie dat de spiraal opstijgt naar de hemel. Dat is een prachtig moment, omdat de pigmenten los lijken te komen van de lichamen van de dansers en dan lijken te verdampen.
DJ Dat is inderdaad een indrukwekkende scène, en ook een goed voorbeeld van een optische illusie die de natuurwetten lijkt te tarten en je brein volledig op zijn kop zet. We spelen met hoe we je ogen kunnen misleiden, en die illusie is dus een uitnodiging om de manier waarop wij de wereld zien en begrijpen ter discussie te stellen. Want wat we denken te zien is niet noodzakelijk wat er is. In zekere zin is onze samenleving gebouwd op puur visuele kenmerken en oppervlakkige perspectieven – zoals er bijvoorbeeld een hiërarchie bestaat die gebaseerd is op enkel huidskleur. Vandaag de dag ontstaan er voortdurend nieuwe illusies, onder meer door de opkomst van kunstmatige intelligentie, virtual reality en avatars die je kunt creëren. Al die digitale elementen bieden een in essentie numeriek alternatief voor het leven, terwijl wat wij in onze performances laten zien juist heel fysiek is en heel echt. Wat ons boeit is dat spel tussen wat waar is en wat niet.
KN Precies. En om nog even terug te komen op de relatie met technologie: er zit een scène in – vlak vóór die met de pailletten – die we ‘Ghost’ [spook] hebben genoemd. Daar heb ik video op de regen geprojecteerd, waardoor het lijkt alsof je hologrammen ziet van de lichamen van de dansers, in plaats van de dansers zelf. Zo worden zij een spookachtige versie van zichzelf en verliezen ze hun fysieke zwaarte.
DJ Ze worden digitale lichamen. Met dat idee van ontlichaming en wederbelichaming spelen we vaker: een manier om het lichaam te verlaten en er weer in terug te keren. Eigenlijk is het een atmosferisch verschijnsel dat doet denken aan mirages – luchtspiegeling dus – en fata morgana’s. Het bijzondere is dat je denkt een illusie te zien, maar dan wel een illusie die in de werkelijkheid kan worden vastgelegd, gefotografeerd of zelfs gefilmd. We hebben allemaal wel een voorstelling van zo’n fata morgana, van zo’n schip dat aan de horizon boven het water lijkt te zweven. Dat verschijnsel ontstaat door veranderingen in de atmosfeer en door de manier waarop het licht gebroken wordt. Daarom besteden we veel aandacht aan hoe we dat effect voor elkaar krijgen.
KN Ja, in het begin gebruiken we een speciale lamp met een bepaalde frequentie die de kleuren wegneemt en de ruimte onderdompelt in een monochrome wereld, die we dan later weer onthullen.
Hoeveel ruimte is er in jullie creatieve proces voor experimenten?
DJ Daar wil ik graag wat over vertellen, want mijn werk bestaat voor een groot deel uit experimenteren, en in Genève brengen we iets dat ik nooit eerder heb gedaan. Eerst hebben we een schets gemaakt. Dat was Mirage[transitory], een intieme eerste versie die we hebben opgevoerd in Fukuoka, in een theater met een honderdtal plaatsen. Die versie gaf ons de mogelijkheid om tijdens de repetities dingen uit te proberen, iets wat je niet kunt doen als de tijd beperkt is. In die experimenteerfase kwam Kohei met het idee om klei te gebruiken, omdat dat een element is dat vaak in mythologieën terugkomt en in Japan ook een heel belangrijk materiaal is. Het was in augustus, herinner ik me. Het was bijna 40 graden en we hadden de dansers er helemaal in ondergedompeld. Daarna moesten ze lopen, en we merkten dat het water verdampte en dat de klei snel opdroogde, waardoor de dansers gedwongen werden langzamer te bewegen. Uiteindelijk hebben we toch besloten geen klei te gebruiken, omdat het in de zaal van het Grand Théâtre niet op dezelfde manier zou reageren. Maar het heeft wel doorgewerkt in de choreografie. De voorstelling die we nu in Genève laten zien, die was er zonder deze experimentele fase niet geweest.
Tot slot nog even over de muziek. Hoe was jullie samenwerking met Thomas Bangalter?
KN Thomas is echt ongelooflijk goed. Zijn muziek heeft precies de juiste energie voor dit stuk. Als componist is hij heel krachtig en creatief. Hij had ook snel door waar het in deze voorstelling om draait, en hij steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken.
DJ We hebben voor het eerst met hem samengewerkt bij Chiroptera (2023), en van meet af aan vond ik hem echt waanzinnig, met die indrukwekkende creatieve energie en een perfecte beheersing van zijn vak. Ik vind het geweldig om verbanden te leggen tussen verschillende artistieke disciplines, en ik wist dat we een gedeelde interesse en liefde hadden voor Japan – net als Kohei. Onze werkwijze is ook vergelijkbaar. Hij was er trouwens bij in Fukuoka, waar hij zelf kon experimenteren terwijl hij ons aan het werk zag. Voor Mirage heeft hij een muzikaal idioom gevonden dat niet te melodisch is, maar toch aanknopingspunten biedt voor de choreografie. We wijken daarmee dus af van hoe we dat in VESSEL hebben gedaan. Hier, in Mirage, is de muziek heel specifiek en verandert het mee met de scènes. In het eerste deel hoor je bijvoorbeeld iets heel ritmisch dat de dansers een structuur oplegt waar ze houvast aan hebben. In het tweede deel wordt dat helemaal anders. Je zou kunnen zeggen dat Thomas een klankbeeldhouwer is: hij tekent zijn muziek. Met hem aan Mirage werken voelde vanzelfsprekend, alsof iets ons had samengebracht. We denken graag anders na over dingen dan gebruikelijk.