Ga naar de hoofdcontent
HF x UvA '26: Een gelaagde beeldenstorm met een directe boodschap

HF x UvA '26: Een gelaagde beeldenstorm met een directe boodschap

Geschreven door Stella Smalls

“Uitbundig, felgekleurd en ongeremd”, zo belooft Bilderschlachten van Stephanie Thiersch te zijn. Een “ballet noir” dat zich met humor en dadaïstische momenten verzet tegen overconsumptie, de overprikkelende media en opgeblazen machthebbers aan de hand van een danse macabre gebaseerd op een beeldenstorm vol verwijzingen naar onze culturele geschiedenis.  

 

Een mond vol en een grote belofte. 

 

Om deze chaos van beelden te ondersteunen, maakt Thiersch gebruik van Bernd Alois Zimmermanns Musique pour les soupers du Roi Ubu, bewerkt door componiste Brigitta Muntendorf. Het stuk zelf is een aaneenschakeling van schurende citaten uit bestaande composities. Het werd ooit geschreven als eerbetoon aan het absurdistische toneelstuk Ubu Roi (1888), waarin een meedogenloze machthebber tijdens een banket alle denkers en kunstenaars de onderwereld in smijt. Een orkestratie die, zowel door haar kritiek op macht en geweld als door haar chaotische collagestijl, enorm goed aansluit bij de opzet van Bilderschlachten. 

 

Maar hoe komt deze ambitieuze opgave tot leven? 

 

De zaal is donker, maar het weinige licht verraadt dat we omringd zijn door een cori spezzati: de orkestleden hebben zich verdekt opgesteld tussen het publiek en op de theaterbalkonnen. Van Zimmermann is echter nog geen spoor. Gekraak, geschraap, geblaas en geklik galmen door het theater als krakende populieren in de wind. Acht dansers beginnen zich langzaam over het podium te bewegen. De scène heeft wat weg van The Dawn of Man uit Kubricks 2001: A Space Odyssey wanneer de dansers, gekleed in het zwart en tegen de achtergrond van een opgaande zon, zich kruipend en klimmend voortbewegen. 

 

Langzamerhand evolueert het gekrioel in meer herkenbare dansbewegingen en horen we Zimmermanns muziek, al is die herkenbaarheid van korte duur. De dansers beginnen zich te bewegen als obscure vogels in een paringsdans, met schokkerige, kipachtige bewegingen en hun handen als klepjes voor hun ogen. De vogels verlaten het podium en we worden geconfronteerd met een volledig nieuwe scène: surrealistische wezens in grote, kleurrijke, opgeblazen kostuums – die rechtstreeks uit het Bauhaus-ballet hadden kunnen weglopen – zijn verspreid over het podium. Ze lijken een feest te vieren voor hun absurd uitziende koning. We zijn nog niet halverwege, maar aan de belofte om een beeldenstorm tot leven te brengen, voldoet de voorstelling luid en breed.  

 

De dansers worden daarbij ook steeds luider. Wat eerst nog komische, abstracte geluiden zijn, mondt onder de dreigende fragmenten van Wagners Walkürenrit uit in een climax van ophitsende, tegenstrijdige historische kreten. “L’état, c’est moi!” en “J’accuse!” worden op chaotische wijze door elkaar geschreeuwd. Het volk tegenover de despoot! Het verzet tegen de macht! Wederom een belofte vervuld. 

 

Als toeschouwer is dit even fascinerend als vermoeiend om naar te kijken. De manier waarop Thiersch al deze eclectische symbolen inzet getuigt van een enorm creatief vermogen, maar er rolt ook een onophoudelijke golf van prikkels over de zaal heen. De keerzijde van deze overvloed is bovendien dat de voorstelling leunt op een flinke dosis culturele bagage. Wie niet direct de links legt naar de filmgeschiedenis, muziekcitaten of historische kreten, raakt de rode draad al snel kwijt en dreigt volledig bedolven te worden onder de absurdistische beeldenstroom. 

 

Daarbij begint er tegen het einde van de opvoering toch iets te wringen. Het klopt dat ook het dadaïsme na de Eerste Wereldoorlog is geboren uit de desillusie in de politiek en de vooruitgang. Maar, in complete tegenstelling tot de dadaïstische filosofie van willekeur en absurde provocatie, krijgt het optreden een moralistische toon. De dansers scanderen: “You should die for the government, that’s it!”  “You should die for the government, that’s shit!” 

 

Het is een stelling die zo simplistisch wordt geformuleerd dat het bijna onmogelijk is om er níét mee in te stemmen. Niet veel later eindigt de voorstelling met een dodenmars. Waar de eerdere kakofonie van “L’état, c’est moi!” en “J’accuse!” tenminste nog wat ruimte liet voor interpretatie, wordt de moraal van het verhaal hier in onversneden Engels recht in je gezicht geschreeuwd. Dit doet afbreuk aan de manie die de dansers zo succesvol wisten over te brengen, en forceert de anarchistische beeldenslag van voorheen in een veel te behapbare les. “uitbundig en felgekleurd” is het zeker maar toch ietwat geremd door het moralisme. 

 

Dat is jammer, want, ondanks een temperatuur die code rood vergde, leverden de dansers wel degelijk een erg sterke prestatie. Het hele optreden lang schakelden ze knap tussen verschillende dansstijlen en het vele schreeuwwerk en gaven ze blijk van een sterk improvisatievermogen. En dan heb ik de prachtige tenorstem van Julien Ferranti nog geen eens benoemd. Juist door hun inzet en de rauwe energie die ze op het podium achterlaten, blijft die systemische waanzin ondanks de expliciete boodschap toch overeind staan. Zij maken van deze beeldenstorm uiteindelijk een boeiende ervaring.