Peter Brook en Marie-Hélène Estienne

Profiel

eerste toneelstuk en bouwde sindsdien een monumentaal oeuvre op. Zijn werk wordt internationaal gerespecteerd, niet alleen door de enorme omvang en stilistische breedte, maar ook vanwege Brooks constante drang naar innovatie. Twintig jaar was hij huisregisseur van The Royal Shakespeare Company, waar bij verantwoordelijk was voor vernieuwende versies van Love’s Labour’s Lost (1946), Titus Andronicus (1955), King Lear (1962), Marat/Sade (1964) en A Midsummer Night’s Dream (1970). Hij verfilmde tevens veel van zijn succesvolle voorstellingen. Samen met Micheline Rozan richtte hij in 1971 het onderzoekscentrum Centre International de Créations Théâtrales op (CICT), dat in 1974 permanent gevestigd werd in het Théâtres des Bouffes du Nord in Parijs. Daar zagen producties zoals zijn epische bewerking van The Mahabharata (1985) het licht, naast voorstellingen als Ubu aux Bouffes (1977), Conference of the Birds (1979), The Tempest (1990), The Man Who (1994), Le Costume (1999), The Tragedy of Hamlet (2000), Le Grand Inquisiteur (2004) en Tierno Bokar (2005). Veel van deze producties werden tweetalig uitgebracht. Tegelijkertijd verdiende hij ook in de opera zijn sporen, met onder andere La Bohème (1948), Eugene Onegin (1957), La Tragédie de Carmen (1981), Don Giovanni (1998) en Une flûte enchantée (2011). In navolging van de ideeën van de Franse theatervisionair Antonin Artaud (1896 - 1948) en diens ‘theater van de wreedheid’ was Brook één van de eerste theatermakers van zijn generatie die de noodzaak inzag van een open, lege theaterruimte die meer contact tussen toeschouwers en spelers mogelijk maakte. Elke vorm van verdovend publiekscomfort moest worden uitgebannen. Rechtstreekse, rauwe menselijke verbintenis ziet hij als de essentie van goed theater. Brook werd onder andere bekroond met twee Tony Awards for Best Direction of a Play, de International Emmy Award, The Ibsen Award en de Britse eretitels Commander of the Order of the British Empire (1965) en Companion of Honour (1998), naast de Franse titel Commandeur de la Légion d'honneur (2013). Regisseur, dramaturg en schrijver Marie-Hélène Estienne begon haar carrière als theatercriticus en journalist voor de Franse kranten Le Nouvel Observateur en Les Nouvelles Littéraires. Naar eigen zeggen ‘verveelde ze zich dood’ in dat vak, en ging zich toeleggen op de productie. Als assistent van Michel Guy leverde ze een bijdrage aan de programmering van het Paris Festival d'Automne en in 1974 benaderde ze Peter Brook met het verzoek om met hem te mogen werken. Brook stemde toe, en Estienne werd na de casting voor Timon of Athens ingelijfd bij Brooks Centre International de Créations Théâtrales (CICT), waar ze in 1977 werd betrokken bij Ubu aux Bouffes. Bij het CICT groeide ze uit tot Brooks assistent, huisschrijver en dramaturg. Ze werkte onder andere aan Le Tragédie de Carmen (1981), The Mahabarata (1985) en The Tempest (1990), schreef en bewerkte The Man Who (1994) en Le Grand Inquisiteur (2004) – gebaseerd op Dostojevski’s korte verhaal uit De Gebroeders Karamazov, en was verantwoordelijk voor de tekst van Tierno Bokar (2005). Samen met Brook en componist Franck Krawczyk presenteerde ze op het Holland Festival in 2011 een eigen, uitgeklede versie van Die Zauberflöte (Mozart/Schikaneder): Une flûte enchantée. Estienne: ‘In het theater is het heel prettig om verantwoordelijkheden te kunnen delen. Peter en ik begrijpen elkaar en hebben een goede werkrelatie en communicatie. Hij is een genie: altijd slim, onvoorspelbaar en open.’