Geschiedenis van Holland Festival

Met ‘High Arts in the Low Lands’ werd in 1947 een eenmalig zomerfestival georganiseerd dat muziek, theater en beeldende kunst bij elkaar bracht in Den Haag en Amsterdam. De behoefte aan kunst was groot in die naoorlogse jaren. De wederopbouw was begonnen. De belangrijkste initiatiefnemer was Henk Reinink. Hij hoopte dat ‘met vereende krachten iets grootsch tot stand gebracht kan worden’. Dat gebeurde het jaar daarop: het allereerste Holland Festival opende dinsdagavond 15 juni 1948 in de Amsterdamse Stadsschouwburg met Debussy’s opera Pelléas et Mélisande.

Het idee was dat met het tonen van nationale en internationale kunst de aandacht weer op internationale samenwerking en uitwisseling kon worden gericht. Bovendien was de hoop dat de ‘zomerspelen waarin opera de hoofdschotel zou zijn’ Nederland weer aantrekkelijk zouden maken voor toeristen. Kunst en kunstenaars, was de gedachte, konden het verscheurde Europa helen. Ook in andere landen werden dergelijke initiatieven ontplooid. In 1947 werden het Festival d’Avignon en het Edinburgh International Festival opgericht, in 1948 Aldeburgh Festival en de Wiener Festwochen. Met één niet onaanzienlijke verschil: het Holland Festival heeft het altijd moeten doen met een fractie van de subsidiebedragen die de meeste van deze buitenlandse festivals ontvangen.

Niettemin was het Holland Festival meteen een daverend succes. Het festival richtte zich in eerste instantie voornamelijk op Amsterdam en Den Haag, met het Scheveningse Kurhaus als voornaamste muziekzaal, en vanaf 1954 speelde het festival ook onder andere in Rotterdam. Reinink stelde Peter Diamand aan als de eerste artistiek leider, wat hij tot zijn vertrek naar het festival van Edinburgh in 1965 bleef. Diamand liet het Holland Festival uitgroeien tot een van de belangrijkste festivals van Europa. ‘Peter Diamand gaf Holland het Festival,’ schreef Trouw later. Dankzij diens formidabele netwerk in de hoogste internationale kunstenaarskringen haalde hij de allergrootsten naar Nederland, zoals Benjamin Britten, Peter Pears, het New York City Ballet, the Old Vic, The Royal Shakespeare Company, Kathleen Ferrier en Katherine Dunham (die dit festival een eerbetoon krijgt van choreograaf Trajal Harrell). Ook was Diamand niet bang voor experiment en vernieuwing. Dankzij hem had het Holland Festival de Nederlandse premières van Alban Bergs Lulu (1953) en Pierre Boulez met Pli selon pli (1958/1962). Zijn grootste succes was het festival van 1959, toen dankzij Diamands toedoen de ongeëvenaarde wereldster Maria Callas het podium in Het Concertgebouw betrad. Het was Diamands ambitie om kunst van de hoogst mogelijke kwaliteit naar Nederland te halen.

Maar vanaf halverwege de jaren zestig echter deelden steeds minder mensen die mening. De Nederlandse kunstwereld wilde moderniseren: het mocht allemaal juist wat minder elitair, minder rood pluche. Diamands gedistingeerde festival deinde mee op de golven van flowerpower, democratisering en kunst voor het volk. Het festival presenteerde alleen nog werk in Amsterdam. Na verloop van tijd werd Diamand opgevolgd door Jaap den Daas (1965-1975), Frans de Ruiter (1975-1985) en Ad ’s-Gravesande (1984-1990). Naast de nog altijd met regelmaat terugkerende avant-garde-namen als Luciano Berio en Karlheinz Stockhausen (die in 2019 met aus LICHT postuum nog voor een hoogtepunt in de festivalgeschiedenis zorgde), kregen ook cabaretiers en andere non-conformistische kunstenaars het podium. Het Misha Mengelberg Kwartet, Rita Reys en Willem Breuker traden op. Adèle Bloemendaal zong Malle Babbe. Holland Festivalbezoekers konden naar het Metropole Orkest, Freek de Jonge of Gerard Cox. Ook in deze vorm wist het Holland Festival nog regelmatig de gemoederen in beweging te brengen. In 1969 was het festival verantwoordelijk voor een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse kunst. In de voorstelling Reconstructie richtte een collectief van kunstenaars, onder wie Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg, Hugo Claus en Harry Mulisch, een standbeeld op voor de socialistische revolutionair en guerrillaleider Che Guevara. Een activistische daad. Met name De Telegraaf kwam in het geweer. Er werden zelfs Kamervragen gesteld over deze besteding van overheidsgeld.

In de jaren negentig belandde het festival in zwaar weer. Steeds meer werd er door de politiek getornd aan de noodzaak van een groot kunstenfestival. Was er immers niet al genoeg kunst? Wat had het Holland Festival extra te bieden? Opheffing dreigde meerdere malen, maar werd telkens voorkomen. Prominente kunstenaars, festivals en beschermheren, onder wie prins Claus, pleitten voor een vaste plek voor vernieuwing en internationalisering. De artistiek directeuren in die jaren, Jan van Vlijmen (1991-1997) en Ivo van Hove (1998-2004), presenteerden noodgedwongen kleinere festivals. Van Hove maakte van toneel de hoofdmoot, omdat hij vooral daar de vernieuwing en experimenteerdrift zag. Gedurende de tien jaar onder leiding van Pierre Audi (2005-2014) hervond het Holland Festival zijn allure. Allereerst bracht Audi muziek en muziektheater weer op de voorgrond. Het festival had meer middelen tot zijn beschikking en kon dus ook weer werk uit niet-westerse landen brengen. Zo haalde Audi in 2011 de wereldberoemde zangeres Fairouz naar Amsterdam. Hij legde door de presentatie van deze diva uit de Arabische wereld de verbinding tussen de geschiedenis van het festival – met de komst van grootheden als Maria Callas – en de huidige, diverse populatie van Nederland. Zijn opvolger, Ruth Mackenzie (2014-2018), zette die lijn voort en gaf maatschappelijk engagement weer een prominentere rol. Ze greep terug naar de beginwaarden uit 1948, met thema’s als ‘Europa’ en ‘democratie’. Ook de nieuwste digitale ontwikkelingen kregen onder haar leiding een plek in de programmering, waardoor bijvoorbeeld een puur ‘virtueel’ werk als Michel van der Aa’s interactieve liedcyclus The Book of Sand (2015) het licht zag.

Gedurende de hele festivalgeschiedenis stonden de kunstenaars en hun werk centraal bij het samenstellen van het programma. Het festival noemt deze benadering ‘artist-driven’. Vanuit die gedachte is er in 2018, na het vertrek van Mackenzie, voor gekozen om niet één artistiek directeur voor meerdere jaren te benoemen, maar jaarlijks een of twee kunstenaars uit te nodigen om voor een editie associate artist te zijn, en een relevant deel van het programma op te bouwen met en rond hun werk. William Kentridge en Faustin Linyekula (beiden 2019) en nu Bill T. Jones (2020) zijn de eerste kunstenaars met wie het festival dit avontuur is aangegaan. Actualiteit en diversiteit blijven belangrijke pijlers in het programma, de verbinding tussen internationaal en nationaal, grootschalig en intiem, bekend en onbekend geeft de richting aan voor de toekomst. Al bijna vijfenzeventig jaar laat het festival zien waar het goed in is: verrassen met onvergetelijke kunst, die anders niet in Nederland te zien is.