Holland Festival gedenkt burgemeester Van der Laan

Burgemeester Eberhard van der Laan was betrokken bij de culturele sector van Amsterdam en was overtuigd van het grote belang van de sector voor een levendige en leefbare stad voor bewoners en bezoekers. Hoewel we weten dat hij soms liever bij een goede voetbalwedstrijd zat dan bij – bijvoorbeeld - een opera of toneelvoorstelling, stond Eberhard van der Laan voor ons klaar als dat nodig was. Bij belangrijke premières of openingen, bij bezoeken van leden van het Koninklijk Huis aan het Holland Festival, of zelfs als deelnemer van een van onze voorstellingen. Zo opende Eberhard van der Laan in het Holland Festival van 2015 urbo kune, een ‘stedenbouwkundige opera’ van 25 uur in Muziekgebouw aan het IJ. Zijn openingstoespraak vindt u hieronder. 

urbo kune
speech burgemeester Van der Laan bij het Holland Festival, 6 juni 2015


(urbo kune = gemeenschappelijke stad in het Esperanto)

'Gesinjoroj,

Elkore Bonvenaj, Mi estas feliĉa esti ĉi tie (Dames en heren, Hartelijk welkom, ik ben blij om hier te zijn).

Omdat mijn Esperanto beperkt is, schakel ik voor het vervolg van mijn verhaal over op het Nederlands.

Vragen aan de burgemeester van Amsterdam hoe zijn gedroomde Europese stad er uit ziet, is een klein beetje als vragen aan een Italiaanse kok wat hij de beste keuken vindt.

In de bijna vijf jaar dat ik nu burgemeester ben, heb ik vaak de lof gezongen over Amsterdam. Altijd voor dankbaar publiek want de meeste Amsterdammers zijn stapelverliefd op hun stad. Het gebeurt minder vaak dat ik gevraagd wordt om over mijn stad te praten als onderdeel van een kunstproject. Weliswaar een bescheiden onderdeel van een 25 uur durende kunstmanifestatie, maar ik vind het een grote eer.

Jan Tabor, de geestelijk vader van Urbo Kune, ziet de Verenigde Staten van Europa als onvermijdelijk toekomstbeeld. Daar hoort een Europese hoofdstad bij. In deze 25 uur komt die gedroomde Europese hoofdstad tot stand. Het is, als ik naar het programma kijk, een stad waar kunst en cultuur heel belangrijk zijn. Een stad waar tijd is voor gesprekken, reflectie en ontspanning. U beleeft ‘een urbanistische opera’, las ik ergens. Wat ik ga zeggen, als onderdeel van die opera, wordt geen lofzang op Amsterdam. Niet omdat Amsterdam niet de gedroomde hoofdstad van Europa zou zijn. Want dat is het natuurlijk wel. Amsterdam is een internationale stad.

Een stad waar de burger altijd op een voetstuk heeft gestaan, hoger in aanzien dan koning of bisschop. Een stad met 18.000 koopmanshuizen en niet één paleis of kathedraal. Een stad waar in de 17de eeuw al de hele wereld samenkwam, van kooplieden tot religieuze vluchtelingen. Uit die 17de eeuwse smeltkroes bloeiden wetenschap, kunst en innovatie als niet eerder te voren. En dat alles in een cultuur van tolerantie, van leven en laten leven. Alleen al vanwege dat DNA is Amsterdam bij uitstek de gedroomde hoofdstad van Europa. Klein genoeg om in geopolitiek opzicht niet bedreigend te zijn, meer dan genoeg historie en cultuur om sfeervol en inspirerend te zijn, egalitair en tolerant genoeg om voor alle Europeanen als thuis te voelen, en internationaal genoeg om de ideale toegangspoort te zijn tot Europa, of je nu komt voor zaken of plezier. Kortom, die lofzang op deze stad houdt u nog wel een keer tegoed maar ik denk dat we het er over eens kunnen zijn dat Amsterdam een van de steden is waarop het predikaat Europese hoofdstad bij uitstek past. 

1. Europése steden, Europese stéden

Nog niet zo lang geleden mocht ik een symposium voorzitten waar Edward Glaeser, Harvard professor en auteur van onder andere ‘Triumph of the City’ en Joan Clos, oud burgemeester van Barcelona en thans voorzitter van UN Habitat beiden een speech hielden over de toekomst van de stad. Een man uit de wetenschap en een man van de praktijk, maar ook: een Amerikaanse en een Europese visie op de stad. Schematisch gezegd was het pleidooi van Glaeser, doorspekt met grafieken en cijfers die zijn stelling onderbouwden, dat het succes van de stad begint en eindigt met mensen. Hoe meer mensen op een klein oppervlak bijeen wonen, hoe succesvoller. Of dat een stedenbouwkundig hoogstandje is, of het om historische gebouwen gaat, dat soort zaken zijn volgens hem secundair. Over het leeglopen van een stad zoals in de Verenigde Staten bijvoorbeeld is gebeurd in Detroit nadat de auto-industrie daar over de kop ging, moet je niet te sentimenteel doen, vindt Glaeser. Mensen trekken naar waar werk is en waar voorzieningen zijn. Joan Clos bestreed dat. Europese steden zijn de meest leefbare steden ter wereld juist dankzij stedenbouwkundige planning en historisch erfgoed. Dat is wat mensen aantrekt. De megacities in India, China, Zuid- en Midden Amerika maken explosieve groei door op een chaotische manier. Dat maakt dat leefbaarheid en duurzaamheid zwaar onder druk staan. 

Ik dacht aan dit symposium en realiseerde me dat de meest aantrekkelijke en succesvolle Europese steden beide verenigen. Ze zijn een magneet voor mensen omdat er werk is, met name in de sectoren die weinig ruimte innemen maar juist gebaat zijn bij veel verschillende mensen op een klein oppervlak, zodat ideeënuitwisseling kan plaatsvinden. Denk aan de dienstensector, de financiële en de creatieve sector. Ze zijn tegelijkertijd leefbaar en aantrekkelijk omdat er is nagedacht over behoud van erfgoed, groen, mobiliteit en verdichting. 

Maar er is nog iets anders wat Europese steden kenmerkt, iets nog belangrijkers. 

Europese steden zijn in mijn ogen in eerste plaats het domein van de vrije burger. In de 19de eeuw, de eeuw van de industrialisatie, beleefde het Westen een periode van onstuimige expansie. De bevolking van Europa groeide snel en men trok massaal naar de steden. Naar waar het werk was en de kansen lagen voor persoonlijke ontwikkeling. Die steden konden de groei met geen mogelijkheid bijbenen. Onze negentiende-eeuwse voorvaderen waren dan ook zeer bekend met de meeste van de problemen waarmee groeimetropolen in landen als India, Nigeria en Indonesië nu worden geconfronteerd. Overbevolking, vervuiling van drinkwater, lucht en bodem, dodelijke epidemieën, gebrekkige sociale voorzieningen, abominabele arbeidsomstandigheden en ongezonde kelderwoningen. Deze problemen leken destijds haast onoplosbaar. De maatschappelijke orde scheen onhoudbaar. 

Dat is een belangrijke reden waarom Europese overheden zich vanaf het einde van de 19e eeuw uitputtend bemoeid hebben met de stedelijke ontwikkeling. Overheden die daartoe aangezet èn gevormd werden door de samenleving, door vrije burgers en arbeiders. Door nutsvoorzieningen te garanderen, vervuiling van de leefomgeving tegen te gaan, investeringen te doen in volkshuisvesting, onderwijs, sociale voorzieningen en verkeersinfrastructuur. Het heeft ervoor gezorgd dat de Europese steden naast levende monumenten voor vrij burgerschap ook bolwerken tegen ongebreidelde marktwerking en globalisering zijn. Veilige havens in een onzekere wereld. In de twintigste eeuw ontstond zo een succesvolle balans tussen burgerzin en overheid. De twee lagen in elkaars verlengde en versterkten elkaar. 

De 21e eeuw wordt de eeuw van de stad. In Europa zijn steden net als 150 jaar geleden brandpunten van groei en innovatie. Dat is goed nieuws na decennia leegloop en verarming. De stad is ‘in’. De Amerikaanse filosoof Benjamin Barber vindt dat burgemeesters de wereld moeten gaan regeren. Dit kabinet heeft decentralisatie als mantra en komt binnenkort met een “Agenda Stad”. Steden zijn de oplossing voor bijna alles, maar tegelijk doemen er voor de steden nieuwe opgaven op. Bijvoorbeeld: hoe houd je de balans in de stad? Hoe geef je die groei qua inwoners en qua innovaties die elkaar steeds sneller opvolgen, de ruimte, zonder dat er mensen in de knel komen. In de knel doordat ze achterblijven in sociaal economische positie, doordat vastgoedprijzen omhoog schieten, of doordat inwoners zich steeds meer een vreemde in eigen stad gaan voelen. De slimme stad heeft de toekomst, maar alleen als een verantwoordelijke overheid zorgt draagt voor een eerlijk speelveld waarop alle vrije burgers zich economisch en maatschappelijk kunnen manifesteren. Dat vraagt om een inclusieve toepassing van technologie. Ik vind het altijd belangrijk om te benadrukken dat ‘smart city’ in de eerste plaats over mensen gaat, over het oplossen van problemen voor mensen, door mensen, en dan pas over technologie. 

De eeuw van de stad is zeker geen exclusief Europees fenomeen. Integendeel. Op dit moment is Beijing – misschien ook New Delhi of Mumbai – bezig te worden wat New York was in de 20ste eeuw, Londen in de 19de eeuw, Parijs in de 18de eeuw, Amsterdam in de 17de eeuw en Madrid in de 16de eeuw: het bruisend middelpunt van internationale handel. Er zijn steden die in tien jaar tijd van 8 miljoen inwoners naar 20 miljoen zijn gegroeid, en het einde is nog lang niet in zicht. 

Met dien verstande, dat de typisch 19de eeuwse problemen die ik net beschreef, ook nu voor die snel groeiende steden als Mexico- City, Mumbai en Sao Paolo, gelden. Mijn zorgen over de opgaven waar wij voor staan zijn niets vergeleken bij de zorgen van die zogenaamde mega-cities. Als burgemeester ga ik, indachtig het Amsterdamse DNA dat nieuwsgierigheid combineert met handelsgeest, op werkbezoek naar deze steden. Mijn mond valt daar open als ik de rijkdom van de geschiedenis en de cultuur zie, en ik ben zwaar onder de indruk van de razendsnelle economische vooruitgang die er wordt geboekt. Toch krijg ik daar altijd een beetje heimwee. Heimwee naar ons continent dat sociale verschillen wèl kan minimaliseren. Heimwee naar ons continent waar eigenwijze journalisten, kunstenaars en bloggers niet achter tralies belanden. Heimwee naar ons continent waar er weer zalm in de Rijn zwemt, waar onze kinderen niet eens weten wat zure regen is, en waar we niet met mondkapjes over straat hoeven. Heimwee naar ons continent waar, hoe onvolkomen ook, democratie, mensenrechten en onafhankelijke rechters heersen. Waar in een stad van duizenden demonstraties alleen al in mijn burgemeesterschap, het gemeentebestuur door sommigen eindeloos wordt nagedragen dat er één keer per ongeluk een demonstrant ten onrechte is aangehouden (die vervolgens bedolven werd onder bloemen en excuses).

En dan heb ik het nog niet gehad over alle Europese kunst, cultuur en bewaarde geschiedenis.

Zoals dat gaat met heimwee zit er een fractie idealisering bij. Maar ik prijs me oprecht gelukkig inwoner te zijn van Europa. En ik stel me de vraag: Waarom heeft Europa zo weinig zelfvertrouwen? 

2. Europa in de wereld, de wereld in Europa

De unie, die ooit begon als een samenwerking tussen zes landen op het gebied van kolen en staal, onder het motto ‘Nooit meer oorlog’ (dat overigens heel succesvol was) is in zestig jaar geëvolueerd tot een verband van 27 lidstaten, en heeft inmiddels een kruispunt bereikt. Het draagvlak voor een institutioneel Europa dat wordt gekenmerkt door nationale belangenstrijd, bureaucratische regelgeving en een overdaad aan lobbyisten, is afgekalfd. Deze unie, in het continent dat nota bene de bakermat is van de democratie, en van de vrije en gelijke burgers, heeft nog altijd bar weinig democratisch gehalte. Gemeenschapszin wordt geforceerd opgelegd door een vlag, een lied en een taal die niemand spreekt (ik zag vooral veel onbegrip aan het begin van mijn verhaal...). Gedeelde waarden hoeven niet gezocht te worden in dergelijke symbolen van onzekerheid, terwijl er zoveel aanleiding is voor zelfvertrouwen en vertrouwen in bestaande, historische waarden. De kracht zit op dit moment in steden en regio’s, maar vooral: in de bewoners daarvan. In vrijwel alle internationale vergelijkingen staan Europese steden bovenaan als het gaat om kwaliteit van leven en innovatie. Dat is, daar ben ik van overtuigd, voor een groot deel te danken aan onze democratische traditie en het omkijken naar elkaar. Misschien is het enige dat we missen (zelf-)vertrouwen in onze eigen democratie. Vanuit dat zelfvertrouwen kan ons continent ook een verantwoordelijk continent zijn, zoals Amsterdam een verantwoordelijke hoofdstad probeert te zijn, een hoofdstad die niet alle kennis en welvaart voor zichzelf wil houden, indachtig ook de periode, na de oorlog, dat de stad arm en onaantrekkelijk was maar door de rest van het land op de been werd gehouden. 

Ook de unie zou zich, als ze zich op dit kruispunt ten goede wil keren, moeten richten op de vrije en gelijke burgers van Europa, die de Europese waarden met zich meedragen. Zoals de inwoners van Athene, de geboortestad van de democratie, de inwoners van Amsterdam, uit alle windstreken, met hun 17de eeuwse DNA van tolerantie, de inwoners van Parijs, van waaruit het revolutionaire vrijheid gelijkheid en broederschap de wereld veroverde, de inwoners van Londen, dat de geschiedenis van Churchill herbergt, de inwoners van Berlijn, met de muur als historisch Europees monument, de inwoners van Madrid, Rome, Oslo en Praag en al die grote en kleine steden en regio’s die Europa dat schitterend mozaïek maken.

3. Concluderend

Terug naar de gedroomde Europese hoofdstad van de Verenigde Staten van Europa. Moet dat perse een fijne stad of zelfs de fijnste stad zijn? In de Verenigde Staten is Washington door de ‘founding fathers’ speciaal gebouwd als hoofdstad in een snikheet moeras, om expres niet de meest aantrekkelijke of meest Amerikaanse stad te worden. De gedroomde hoofdstad van Europa hoeft dat ook niet te zijn. Laat het maar Brussel blijven. Amsterdam en al die andere gedroomde hoofdsteden zijn daarvoor werkelijk te leuk. '