interview met
associate artists
William Kentridge & Faustin Linyekula

Het Holland Festival werkt dit jaar voor het eerst met associate artists. Voor deze editie zijn dat William Kentridge en Faustin Linyekula. Van beiden zijn recente voorstellingen te zien naast werk van kunstenaars die hen inspireren. Allebei werken ze nauw samen met talentvolle kunstenaars uit hun eigen stad, Kentridge in The Centre for the Less Good Idea in Johannesburg (Zuid-Afrika), Linyekula in Studios Kabako in Kisangani (Congo). Werk uit deze kunstencentra is dit festival te zien in theater Frascati. 

In het licht van de komende editie bracht het Holland Festival de twee samen voor een eerste kennismaking middels een dubbelinterview. Dit gesprek wordt voortgezet op het festival tijdens onder andere een public talk op 2 juni

Kentridge_Linenyekula


Wat dachten jullie toen de vraag kwam om associate artist te worden van het Holland Festival? 
William Kentridge (WK): ‘Amsterdam is een interessante stad en er gebeuren interessante dingen op het Holland Festival. Ik zei ja omdat ik graag deel uitmaak van zo’n vrijzinnig festival. Het is goed om er langer dan een paar dagen te zijn. Dat stelt me in staat om verschillende soorten werk uit Zuid-Afrika te tonen. Niet alleen van mij, maar ook van anderen. Ik wil graag de fantastische dingen laten zien die uit Johannesburg komen.’

Faustin Linyekula (FL): ‘Ik heb nog maar één keer eerder op het Holland Festival gestaan, in 2012 met La création du monde (1923-2012). Maar ik ben al vele jaren in gesprek met programmamanager Annemieke Keurentjes. Toen ze me vroeg om associate artist te worden, dacht ik dat dit een goede manier is om ons gesprek voort te zetten.’ 

Waarover gingen die gesprekken?
FL: ‘Al snel gingen die over relevantie. Wat kan mijn werk in Amsterdam betekenen? Theater is voor mij niets anders dan een poëtisch gebaar in een specifieke context. In Studios Kabako in Kisangani stellen we dezelfde vraag: wat betekent het om hier kunstenaar te zijn? Dat geldt ook voor het Holland Festival. Wat betekent het om nu een festival in Amsterdam te zijn?’

WK: ‘Het werk in The Centre for the Less Good Idea is gemaakt in Johannesburg voor de mensen die er wonen. Ik hoop dat het ook in Amsterdam werkt. Toeschouwers zullen hun eigen fantasierijke interpretaties en vertaalfouten maken, en dat is prima.’ 

Is het belangrijk voor jullie om de kunstenaars waarmee jullie werken in The Centre en Studios Kabako op deze manier verder te helpen?
WK: ‘Het belangrijkste is natuurlijk dat ze hun werk in Johannesburg kunnen opvoeren. Maar het ironische is: ze worden in Zuid-Afrika serieuzer genomen als ze hun projecten eerst in Europa hebben kunnen doen. Dat is koloniale ironie.’ 

FL: ‘In Afrika komt legitimiteit vaak van buitenaf. Ik word waarschijnlijk serieuzer genomen in Congo, omdat ze daar weten dat Europese landen me serieus nemen. Daar kan ik verdrietig over zijn, maar beter kan ik zeggen: dit is de realiteit. Hoe kan ik dit in mijn voordeel gebruiken? Om de situatie thuis te verbeteren.’ 

Faustin, je reist de hele wereld over om je werk te tonen. Toch heeft elke voorstelling zijn oorsprong in Kisangani. Waarom?
FL: ‘In de koloniale tijd was Kisangani de derde stad van het land, maar de Belgen bouwden er nooit een theater. Mobutu veranderde daar na de onafhankelijkheid niets aan. Gelukkig verschoof dat de kwestie theater van een gebouw naar een relatie. In Kisangani werken we letterlijk in een achtertuin. Ons werk maakt echt deel uit van het dagelijks leven daar. Dat maakt nederig. En ik heb dat nodig, die constante dialoog tussen het werk, de ruimte, de context en de mensen die daar zijn. Dat helpt me de vorm van mijn werk te verduidelijken.’ 

Faustin, je noemt jezelf een storyteller Waarom maakt een storyteller dansvoorstellingen?
FL: ‘Ik vertel een verhaal dat nauw verweven is met de geschiedenis van mijn land en hoe verward die geschiedenis is. Ik vermoed dat het allemaal begon in 1997, toen ik op een ochtend wakker werd en op de radio hoorde dat mijn land niet meer de Republiek Zaïre heette. Ik moest mezelf Congolees leren noemen. Dat was verontrustend. Ik was 23. Ik dacht: wat is hier aan de hand? Wat weet ik eigenlijk over het land waar ik woon?’

‘Als je geïnteresseerd bent in de geschiedenis van Afrika, kom je er al snel achter dat teksten en archieven niet je belangrijkste bron van informatie kunnen zijn. Ze gaan meestal niet verder terug dan de 19e eeuw en het zijn bijna allemaal westerse bronnen. Dat ik als danser ook vragen kon stellen aan mijn lichaam, bleek een oplossing. In ons lichaam bevinden zich genen die ons verbinden met mensen van wel duizend jaar geleden. Met dans kan je het lichaam vragen stellen. We moeten alles aangrijpen om de ruïnes waarin we leven te kunnen begrijpen. Soms kan taal nuttig zijn, maar vaak zijn woorden alleen maar leugens.’ 

William, hoe denk je als beeldende kunstenaar en theatermaker over taal? 
WK: ‘Kunst als een manier om naar de ruïnes van onze geschiedenis te kijken, daar kan ik me goed in vinden. Wat betreft de kwestie van taal: soms levert het de gewenste duidelijkheid en rationaliteit op, maar soms is het doel van taal juist om een hele wereld te verdoezelen. Daarom gebruik ik de laatste tijd vooral taal die geen logische betekenis heeft: dada, onzinnige poëzie, veel verschillende talen door elkaar, verschillende vertalingen. Dat geeft het publiek afwisselend momenten van helderheid en momenten waarop het moet accepteren dat het iets hoort dat domweg niet te begrijpen is.’ 

‘De dadaïst Tristan Tzara zei tijdens de Eerste Wereldoorlog: laten we proberen om eens níet gelijk te hebben. Hij verwees daarmee naar het gevoel dat elke claim op zekerheid en precisie een aanspraak op autoriteit is. Wat ik heb gemerkt is dat dingen die ondoorzichtig en tegenstrijdig zijn veel dichter bij de kern van begrip zitten. Maar vaak worden die dingen dan met geweld opzij geduwd om ruimte te maken voor het zogenaamde ware begrip.'

FL: ‘En dat is precies het koloniale project. De wereld met geweld reduceren tot één visie. Toen de westerlingen naar Afrika kwamen zeiden ze: we rengen het licht naar de rest van de wereld. Maar dat licht van hen is slechts één perspectief op de wereld. Ik ben het met William eens: niet alles kan worden vertaald, we moeten dat accepteren. Zoals Édouard Glissant ooit zei: ik claim het recht op ondoorzichtigheid.’  

William, was het lastig om het specifieke verhaal over de zwarte dragers in The Head & The Load te vertellen als een witte man?
WK: ‘Ik verkeer al heel mijn leven in de positie van witte kunstenaar in Zuid-Afrika, dus alle paradoxen en complicaties zijn er sowieso. Het idee van culturele toe-eigening veronderstelt dat er een essentie is. Dat er iets is dat puur en onbezoedeld is waar je op terug kan grijpen, in plaats van te begrijpen dat de wereld bestaat uit fragmenten die op veel verschillende manieren in elkaar gezet zijn.’ 

‘Vergis je niet, kunstenaars zijn hyena’s. We zien iets dat ons interesseert en meteen wordt het onderdeel van onze wereld, om vervolgens te gebruiken. Wij tonen verschillende dingen uit verschillende delen van de wereld. Aan het publiek de taak om deze te verbinden. Wij geloven dat mensen genoeg verbeelding hebben om die connecties te maken. Persoonlijk denk ik dat juist misverstanden en vertaalfouten van vitaal belang zijn voor de kunst. Ik ben vóór bastaardij.’ 

FL: ‘Ik kan me bijvoorbeeld toe-eigenen wat de Russen hebben ontwikkeld. Dat betekent ook dat Russen kunnen opeisen wat Afrikanen hebben ontwikkeld. Het enige probleem, al eeuwenlang en nog altijd, is dat van macht. Wanneer een westerling iets van een Afrikaan neemt, veronderstelt hij dat hij wel weet wat het is of zou moeten zijn. Zo ging het altijd. Dat is verkeerd. Maar als het een gelijkwaardige ontmoeting is, dan is het goed.’ 

Staat die ontmoeting centraal in jullie werk? 
FL: ‘William heeft gelijk als hij zegt dat zuiverheid niet bestaat. Er zijn alleen maar losse elementen en de wrijving daartussen. Het werk gaat over het creëren van een nieuwe realiteit en vooral het onophoudelijke zoeken daarnaar.’