Blog

Seks, jaloezie en andere huwelijksvragen

Door: Sybille Meier

09.6.2018

Anna Karenina © Matthias Horn 13Een radiogesprek met Sofia Andrejevna en Leo Nikolajevitsj Tolstoj – fictieve vragen en originele antwoorden

Beste Sofia en Leo Tolstoj, goed dat we jullie beiden aan de lijn hebben. Hoe kijken jullie nu terug op Anna Karenina, dat in 1875 insloeg als een bom in de literaire wereld. De lezers vochten om het tijdschrift waarin Anna Karenina aanvankelijk als feuilleton verscheen en binnen de kortste keren was het in heel Rusland uitverkocht. Een meesterwerk in de wereldliteratuur kunnen we vandaag de dag met recht zeggen. Hoe heeft u dat destijds beleefd?
Sofia: ‘De roman werd gedrukt en ze zeiden dat het een geweldig succes was. Maar ik kreeg er een raar gevoel bij: er heerste zo’n verdriet bij ons, en tegelijkertijd werden we overal bejubeld. De omstandigheden waaronder Anna Karenina werd geschreven waren veel moeilijker dan die waaronder Oorlog en vrede tot stand kwam. Toen waren we onbezorgd gelukkig, maar nu waren kort na elkaar drie kinderen en twee tantes overleden. Ook ik werd ziek. Ik viel erg af, hoestte bloed op en had last van rugpijn. Leo Nikolajevitsj was ongerust en liet me op doorreis in Moskou onderzoeken door professor Sacharin, die vaststelde: “Het is nog geen tuber­culose, maar dat kan het wel worden. Uw zenuwen zijn behoorlijk aangetast.” Hij verbood me om nog les te geven aan de kinderen en te werken aan Leo’s manuscripten, en hij schreef totale rust voor.’

Leo: ‘Mijn Anna stond me tegen als een bittere radijs. Ik hield me met haar bezig als was ze een aangenomen dochter die – zoals gebleken is – een slecht karakter heeft. Maar zegt u alstublieft niets slechts over haar, en als u dat toch doet dan enkel met ménagement (‘mededogen’), want ondanks alles heb ik haar nu eenmaal geadopteerd.’

Hoe is überhaupt het idee voor Anna Karenina ontstaan?
Sofia: ‘Een tijdlang was Leo Nikolajevitsj van plan de geschiedenis van Mirowitsj te schrijven, maar ook dat heeft hij niet afgemaakt. Hij maakte me steeds deelgenoot van zijn plannen en in 1870 zei hij dat hij een roman over de morele ondergang van een dame uit de hoogste maatschappelijke kringen van Petersburg wilde schrijven, waarbij hij zich tot doel stelde de vrouw en haar handelwijze te schilderen zonder haar te veroordelen. Dit idee vormde de basis voor de nieuwe roman Anna Karenina. Ik herinner me nog goed de omstandigheden waaronder Leo Nikolajevitsj aan het boek begon. Om zijn hoogbejaarde tantetje Tatjana Aleksandrovna Jergolskaja een plezier te doen, stuurde ik onze zoon Serjosja, haar petekind, naar haar toe om haar voor te lezen uit Poesjkins Verhalen van Belkin. Toen ze tijdens het voorlezen in slaap viel, legde Serjosja het boek op de salontafel en ging naar de kinderkamer. Leo Nikolajevitsj pakte het boek op en las de passage die begon met de woorden: “De gasten waren in het zomerhuis van graaf L. bij elkaar gekomen.”’

Leo: ‘Zo goed, zo eenvoudig. Meteen ter zake. Zo moet men schrijven. Poesjkin was mijn leraar...’

Sofia: ‘Diezelfde avond schreef Lev Nikolajevitsj het begin van Anna ­Karenina en las hij het voor aan mij. Na een korte introductie van de ­familie, staat er dan: “Bij de Oblonski’s heerste algemene verwarring.” Dat was op 19 maart 1872.’

Maar meneer Tolstoj, dan moet u tijdens het schrijven van Anna Karenina door een diepe identiteitscrisis zijn gegaan.
Leo: ‘Nadat ik het eerste deel van Anna Karenina af had en Sofia het tweede deel had gegeven om over te schrijven, heb ik dat werk onderbroken en me weer volledig aan de pedagogiek gewijd, net als veertien jaar eerder. Me van de levenden losrukken om me bezig te houden met verdichte personages, dat lukte me op dat moment niet meer.’

In de daaropvolgende jaren wendde u zich meer en meer af van de literatuur. U bekritiseerde het sociale systeem van Rusland, de eigendomsverhoudingen en de sociale onrechtvaardigheid. U hield zich bezig met religieuze en sociale kwesties, maar vooral ook met vragen met betrekking tot seksualiteit en huwelijk.
Leo: ‘Om te beginnen wil ik dit zeggen: in onze samenleving heeft onder alle standen de vaste en door pseudowetenschap ondersteunde overtuiging postgevat dat geslachtsgemeenschap absoluut noodzakelijk is voor de gezondheid van een mens. Deze overtuiging is inmiddels zo sterk en zo algemeen, dat ouders op aanraden van hun artsen hun kinderen seksuele losbandigheid toestaan. De autoriteiten, wier enige zorg het moreel welzijn van hun onderdanen zou moeten zijn, bevorderen de losbandigheid zelfs met bepaalde regelingen. Dat wil zeggen: ze staan toe dat de hele vrouwelijke stand met lichaam en ziel te gronde gaat, opdat de mannen hun vermeende behoeften kunnen bevredigen. Ik zou zeggen dat dat geen goede zaak is.’

Sofia: ‘Houdt onze vrouwelijke roeping dan enkel in dat we van lichamelijke dienstbaarheid aan de zuigeling overgaan op lichamelijke dienstbaarheid aan de man? En dat afwisselend, steeds maar weer! Waar blijft mijn leven dan? Waar blijf ik? Ik, die ooit streefde naar het hogere, naar dienstbaarheid aan God en idealen? Moe en gekweld doof ik uit. Een eigen leven – hetzij aards, hetzij spiritueel – is voor mij niet weggelegd. En toch heeft God mij alles gegeven: gezondheid, kracht, capaciteiten... en zelfs geluk. Waarom ben ik dan zo ongelukkig? Wat een egoïsten, die mannen!’

Hoe staat u tegenover het vrouwenvraagstuk, meneer Tolstoj? Acht u het terecht dat mensen zich inzetten voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen?
Leo: ‘En ten tweede dit: als gevolg van de overtuiging dat seksuele liefde behalve een essentiële voorwaarde voor gezondheid en genot ook het meest verheven en edele levensgeluk betekent, is in onze samenleving echtelijke ontrouw in alle bevolkingslagen een normaal verschijnsel geworden. Ik ben van mening dat dit niet goed is. Ten derde: als gevolg van de nu verloren betekenis die men ooit aan de seksuele liefde gaf, is in onze samenleving ook het baren van kinderen betekenisloos geworden. Voorbehoedsmiddelen gebruiken is dan ook niet goed! Ten eerste, omdat het de mensen ontheft van alle zorg en moeite die het hebben van kinderen met zich meebrengt, terwijl juist die dingen ons met de seksuele liefde verzoenen, en ten tweede, omdat het zeer dicht grenst aan iets dat het menselijk geweten de hoogste afkeer inboezemt – namelijk moord. Hieruit volgt dat men moet ophouden te denken dat seksuele liefde iets speciaals en verhevens is. Men moet begrijpen dat een waardig doel voor de mens dit is: dienstbaarheid aan de naaste, aan het vaderland, aan de wetenschap, aan de kunst (om van God nog maar te zwijgen) of hoe je het ook wilt noemen, zolang het maar een dienstbaarheid is die de mens waardig is.’

Sofia: ‘Wij leidden gescheiden levens: ik met de kinderen, hij met zijn ideeën.’

Maar hoe ziet u daarbij de rol van de vrouw, meneer Tolstoj? Uw vrijheidsidealen lijken uitsluitend voor mannen bedoeld te zijn.
Leo: ‘De slavernij van de vrouw bestaat er enkel uit dat mensen ernaar verlangen en er geen moeite mee hebben zich van de vrouw te bedienen als van een genotsmiddel. Ze geven haar nu allerlei rechten die haar gelijkstellen aan mannen, maar net als voorheen ziet men haar nog steeds als lustobject. Zo zijn ze van jongs af aan opgevoed en ze worden daarin door de publieke opinie voortdurend bevestigd. Ze blijft altijd de ondergeschikte en verdorven slavin en de man blijft de verschrikkelijke meester. Men wil de vrouw bevrijden door haar toegang te geven tot universiteit en parlement, maar men beschouwt haar nog steeds als een bron van genot. De rechteloosheid van de vrouw bestaat er niet uit dat ze niet mag stemmen en geen rechter kan zijn – als ze zich met deze dingen zou bezighouden, zou ze daarmee nog niet gelijkberechtigd zijn – maar dat zij in het geslachtsverkeer met de man niet gelijkwaardig is; dat ze niet het recht heeft naar believen met een man te verkeren of bij hem uit de buurt te blijven, dat ze niet een man naar haar eigen wens kan kiezen in plaats van door hem gekozen te worden. [...] Dan zou de man dat recht evenmin moeten hebben.’

Dacht u daar in uw eigen huwelijk ook zo over? Sofia is in de eerste zesentwintig huwelijksjaren immers zestien keer zwanger geweest en heeft dertien kinderen ter wereld gebracht.
Sofia: ‘De fysieke kant van de liefde is heel belangrijk voor hem. Dat is vreselijk, want voor mij is het precies omgekeerd.’

Leo: ‘Ja, ik was een vreselijk varken, terwijl ik mezelf een engel vond.’

Sofia: ‘Ik was niet ingesteld op het huwelijk. Mijn uit jaloezie ontwaakte vrouwelijke passie duurde maar kort en sliep snel weer in, gesmoord in schaamte en walging over de vleselijke verlangens van de vorst. Wat bleef was uitputting, terneergeslagenheid en angst. Ik gedroeg me volgzaam, maar dat was dan ook alles. En ik verlangde naar een poëtische, spirituele en zelfs gevoelsrelatie – om maar te ontsnappen aan die eeuwige seks.’

Leo: ‘Ze weet dat al ons gepraat over hogere gevoelens een leugen is. Wij verlangen enkel naar het lichaam en daarom praat een man elke schanddaad goed. Alleen een lelijk, smakeloos of ongepast kostuum vergeeft hij niet.’ Sofia: ‘Overal zegt hij: wij gaven ons over aan dierlijke hartstocht, wij verveelden ons – overal wij. Maar de vrouwelijke aard is heel anders en je mag die ervaringen – en zeker de geslachtelijke – niet veralgemeniseren, want daarvoor zijn een man en een zuivere vrouw in dat opzicht te verschillend van elkaar. Met negen kinderen kon ik het me niet veroorloven om als een weerhaantje steeds weer mee te draaien met elke wending in de geestelijke ontwikkeling van mijn man.’

In uw roman Anna Karenina zou in het echtpaar Kostya Levin en Kitty Sjtsjerbatskaja veel van uzelf zitten – beroemde gebeurtenissen uit uw eigen liefdesgeschiedenis, meneer en mevrouw Tolstoj, zoals de liefdesverklaring via beginletters die een plek in de roman heeft gekregen. Een liefdesgeschiedenis die, in tegenstelling tot de ongelukkige liefde van Anna Karenina en graaf Vronski, een happy ending heeft.
Sofia: ‘Ons geluk en onze harmonie werden slechts een enkele keer ontsierd door ongegronde jaloezie van beide kanten. Omdat we beiden impulsief en gepassioneerd zijn, konden we ons niet voorstellen dat ooit iemand ons van elkaar kon scheiden.’

Leo: ‘Gedurende mijn hele huwelijksleven ben ik nooit vrij geweest van jaloerse kwellingen, maar er waren momenten dat ik daar extra onder leed. Een van die periodes begon toen de artsen haar hadden verboden ons eerste kind na de geboorte zelf te voeden. Ik was in die tijd bijzonder jaloers, ten eerste omdat mijn vrouw de onrust ervoer die eigen is aan elke moeder en die veroorzaakt wordt door de heftige verstoring van het gewone leven, ten tweede omdat ik zag hoe makkelijk zij de morele moederlijke plicht had laten vallen en ik daaruit terecht – zij het onbewust – had afgeleid dat het voor haar even makkelijk zou zijn haar echtelijke plichten van zich af te laten glijden.’

Jaloezie was dus wellicht een van de grootste problemen van uw huwelijk. Dat doet opnieuw denken aan het verhaal van Anna Karenina en graaf Vronski, wier hartstochtelijke liefdesrelatie uiteindelijk ook door jaloezie vernietigd wordt.

Sofia: ‘In mij ontwaakte die jaloezie met een vreselijke kracht toen ik aan het einde van ons leven zag dat de ziel van mijn man na zoveel jaar voor mij te hebben opengestaan zich plotseling voor mij sloot en zich voor een volkomen vreemde opende, onomkeerbaar en zonder enige aanwijsbare reden.’

Leo: ‘Tot de grootste martelingen voor jaloerse mensen – en in onze samenleving zijn we allemaal jaloers – behoren bepaalde sociale conventies die een grote en gevaarlijke intimiteit mogelijk maken tussen mensen van verschillend geslacht. Men zou zich in ieders ogen belachelijk maken als men zich zou verzetten tegen een dergelijke intimiteit bij het dansen, bij een medisch onderzoek, als men zich bezighoudt met kunst, met schilderen, en vooral met muziek. Als twee mensen zich overgeven aan de edelste kunst – de muziek – dan impliceert dat een zekere intimiteit in de omgang. Deze intimiteit is op geen enkele manier aanstootgevend, en alleen een dwaze, jaloerse man kan zich daarover opwinden. En toch weet iedereen dat deze bijzondere bezigheden, vooral de muziek, voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor de vele gevallen van overspel in onze samenleving.’

U ziet in de muziek de belangrijkste reden voor overspel? Zoals in uw verhaal De Kreutzersonate dat u, Sofia, er zelfs toe gebracht heeft een tegen-roman te schrijven vanuit het perspectief van de vrouw?
Leo: ‘Vanavond heb ik De Kreutzersonate voorgelezen. Dat maakte bij iedereen heel wat los. En dat moet het ook doen. Kent u het eerste Presto? Kent u dat? Oh! Oh! Oh! Wat een vreselijk stuk, die sonate. Vooral dat deel! En wat is muziek sowieso verschrikkelijk!’

Sofia: ‘Ik weet niet hoe en waarom De Kreutzersonate met onze huwelijksleven wordt geassocieerd, maar dat is nu eenmaal zo. En iedereen – van de tsaar tot de broer van Leo Nikolajevitsj en zijn beste vriend Djakov – heeft met mij te doen. Maar waarom voer ik de mening van anderen aan als voorbeeld? Ik voel zelf immers maar al te goed dat deze novelle tegen mij gericht is, dat die vreselijk beledigend voor mij is, dat die mij ten overstaan van de hele wereld vernederd heeft en het laatste restje liefde tussen ons vernietigd heeft. En dat terwijl ik me tijdens mijn hele echtelijke leven met geen enkel gebaar, geen enkele blik ooit tegenover mijn man aan iets heb schuldig gemaakt! Of ik ooit liefde voor een ander zou hebben kunnen voelen, of in mijn hart ooit een strijd heeft gewoed, dat is een andere vraag, die alleen mijzelf aangaat.’

Leo: ‘Mensen zouden sowieso niet uit liefde maar zonder meer uit berekening moeten trouwen, zij het dat men deze beide uitdrukkingen moet verstaan in de betekenis die tegenovergesteld is aan de gangbare. Wat ik bedoel is dat men niet moet trouwen uit zinnelijke neiging, maar dat men er goed over nadenkt. Niet over waar en waarvan men moet leven (want leven kunnen we allemaal), maar over de vraag in hoeverre het waarschijnlijk is dat de toekomstige vrouw ons zal helpen een waardig bestaan te leiden en of zij ons daarin niet zal hinderen.’ Sofia: ‘Als al die mensen die de Kreutzersonate met zoveel waardering lezen eens konden zien hoe zijn erotisch leven eruitziet – en dat alleen dat hem gelukkig en vrolijk maakt – dan zouden ze deze kleine God wel van het voetstuk halen waarop ze hem hebben geplaatst... Het is niet fraai om zich als een dier te gedragen, maar het is ook niet goed om principes te prediken die men zelf niet in praktijk kan brengen.’

Meneer en mevrouw Tolstoj, dank u wel voor dit gesprek.

Naschrift: De vragen werden gesteld door Sybille Meier, de antwoorden geciteerd uit brieven en dagboeken van Sofia en Leo Tolstoj.

HF BLOG