Blog

Crash Park: Homo Ludens op een tropisch eiland

Door: Daniël Bertina

06.6.2019

Homo Ludens op een tropisch eiland

Crash Park La Vie Dune Île Martin Argyroglo 25

Aerofobie is de angst om neer te storten met een vliegtuig. Al sinds jaar en dag staat deze fobie in de top drie van meest voorkomende angsten in Nederland. Wereldwijd zit het ook hoog in de top tien. Zijn het de onbeheersbaarheid van de techniek en de machteloosheid om daaraan overgeleverd te zijn, in combinatie met vermoeidheid en hunkering naar vakantie? De Franse theatermaker en scenograaf Philippe Quesne (1970) koppelt deze veelvoorkomende angst aan een geliefd motief uit de wereldliteratuur en cinema: hoe schipbreukelingen stranden op een idyllisch onbewoond eiland, ver van de bewoonde en beschaafde wereld, en daar een nieuwe kans krijgen om hun bestaan weer op te bouwen. Met onvoorziene gevolgen. Van klassieke romans zoals Daniel Defoe’s Robinson Crusoe (1719) en Willam Goldings Lord of the Flies (1954), tot hedendaagse films als Cast Away (2000) en series als Lost (2004) –dit gegeven blijft immens populair. Op eigenzinnige wijze geeft Quesne nu met Crash Park – La vie d’une île een ironische draai aan dit thema in de vorm van woordloos beeldtheater. Deels rampenfilm, deels psychedelische droom.

Quesne begon zijn carrière als beeldend kunstenaar en werkte tien jaar als scenograaf. In 2003 begon hij een eigen performance-ensemble, Vivarium Studio, en specialiseerde zich in een bijzondere vorm van beeldend theater. Vaak woordeloos, met een uitgepuurd en traag tempo, waardoor het verhaal zich stap voor stap ontvouwt. Veel van zijn voorstellingen hebben een ogenschijnlijk simpel uitgangspunt: personages worden losgerukt uit hun gewone bestaan en belanden in de wildernis, waar ze een nieuw leven proberen vorm te geven. Zo toonde hij in La Mélancolie des Dragons (2008) een stel hardrockers die met hun afgeragde Citroën stranden in een sneeuwlandschap en daar besluiten een eigen versie van een anti-commercieel amusementspark te bouwen. Ook zijn voorstelling Big Bang (2010) heeft een vergelijkbaar ‘schipbreukeling’-thema. Na een nucleaire explosie stranden zes mensen op een klein eiland, waar ze samen de wereldgeschiedenis herschrijven. In Swamp Club (2013) – gemaakt ter ere van het tienjarige bestaan van zijn gezelschap – plaatste Quesne een kunstencentrum midden in een dreigend, drassig moeras. Daar krijgen de ontredderde kunstenaars onverwacht steun van een levensgrote mol. Quesne verwijst in veel voorstellingen naar vorig werk. De mol verscheen voor het eerst in Swamp Club, had daarna een heel eigen project met La nuit des Taupes, en komt in het begin van Crash Park even voor op het eiland. Als een almachtige sociale wetenschapper annex bioloog transponeert Quesne zijn personages uit de werke­lijkheid van alledag en plaatst ze in een nieuwe biotoop – waar ze door het publiek aandachtig bekeken kunnen worden. Als wandelende takken in een terrarium. 

Terug naar Crash Park – La vie d’une île. De taal blijft in deze voorstelling beperkt tot een paar kreten. Ook de individuele karakters van de acht naamloze personages zijn bewust ondergeschikt gemaakt. Het enige wat de overlevenden uit het wrak van het vliegtuig hebben meengenomen, zijn een paar koffers en een stapel boeken, boeken van Daniel Defoe, Gilles Deleuze, Jules Verne en William Shakespeare. In hun nieuwe habitat besluiten ze elkaar te vermaken met zang, dans en theater. In een serie inventieve tableaus toont Quesne hoe de mens, als sociaal dier in samenwerking met anderen een nieuw bestaan probeert op te bouwen. Weg van de smartphones en sociale media, de ratrace van de commercie en de prestatiedwang. 

Hierbij speelt de soundscape een belangrijke rol. Die gaat heen en weer tussen heftige sensatiedreunen die zo uit een Hollywood-actiefilm lijken te zijn gekopieerd, klassieke composities van Debussy en de bombast van Vangelis’ Conquest of Paradise. Maar er zijn ook opvallende knipogen voor de kenner. Wat te denken van de underground hiphop-klassieker Tres Delinquentes (1996) van Delinquent Habits, of True love will find you in the end van art brut-muzikant Daniel Johnston? De muziek levert een ironisch commentaar op het getoonde, terwijl met het inventieve decor op slimme manieren ruimte en diepte worden gesuggereerd.

In elke scène zijn vele lagen van betekenis en verwijzingen naar andere kunstwerken te ontdekken. Gehuld in rimboekostuums van riet en bladeren dansen een paar mannen een ballet, terwijl één van hen een aria zingt. Met palmbladeren als wapens houden twee anderen een duel op de klanken van romantische pianomuziek, als trotse kemphanen. Afwisselend speels, droogkomisch en bij vlagen bloedserieus uitgevoerd. Het ontaardt in een collectieve regendans. Terwijl de overlevenden zich als een chaotische zwerm vogels over het podium bewegen, begint het te regenen. Alles zit erin: onze miljoenen jaren oude dominantiehiërarchie, de strijd om voorplanting, evolutie, sociale interactie, de noodzaak van spel en plezier, de drang naar beheersing van de natuur en de menselijke zoektocht naar zingeving. 

Op een dieet van bananen, kokosnoten en octopus belichamen Quesnes personages het idee van de Homo Ludens: de mens die via spel betekenis geeft aan zijn bestaan en zo een nieuwe wereld schept. Maar ook op hun idyllische eiland dreigt gevaar. Hoe diep gaat hun beschavingslaag? Kiest de mens, vrijgemaakt van alle conventies, uiteindelijk voor verdieping of platheid? Crash Park – La vie d’une île richt zich op deze koorddans. Quesne toont het menselijke gestuntel met milde spot. Nergens wordt hij bitter, oordelend of hard. ‘Kijk ze klungelen die mensen,’ lijkt hij te willen zeggen, ‘zo doen wij dat…’

Crash Park  – La vie d’une: 7 en 8 juni in Internationaal Theater Amsterdam

HF BLOG