Blog

Column Stephan Sanders - The Scarlet Letter

Door: Stephan Sanders

27.5.2019


Angelica Liddell, weerzinwekkendheid en grote woorden.
 Blog The Scarlet Letter Bruno Simao 5

 Ik hou van Wenen, prachtige stad met het vermoeden van weerzinwekkendheid.
 Ik hou ook van Wenen vanwege Thomas Bernard (1931-1989), de grote Oostenrijkse toneelschrijver, die één ding in Nederland deed: geboren worden (te Heerlen.) De rest van zijn leven was gevuld met Oostenrijk, de Oostenrijkse hoofdstad en met het schrijven van uitgesponnen monologen tegen Oostenrijkers, het huiveringwekkende van ‘die Wiener’, de onverdraaglijkheid van hun seksuele moraal.
 Denk ik tegenwoordig aan Wenen, dan denk ik ook aan de Spaanse schrijver en theatermaker Angelica Liddell, en haar voorstelling ‘The Scarlet Letter’ die ik in Wenen zag.
 Wenen en Oostenrijk passen Liddell als een tweede thuis, ook al omdat ze zich een kleinkind betoont van de door mij bewonderde Bernard.
 De ellenlange, puur ritmische monologen die zij de zaal in slingert, met een verbetenheid en genadeloosheid, die Bernhard haar niet had verbeterd.
 En het zeer ongemakkelijke dat ze in woorden en beelden vangt: de  onoorbare standpunten die ze vertolkt over vrouwen, over ouder wordende vrouwen; over de absolute schoonheid van de mannen, want die worden niet ouder maar mooier.
 Haar ideeën over het vrouwelijke vlees, dat verlept, de huichelachtigheid en de seksuele rancune, die daarvan het gevolg zijn. Haar absolute overgave aan de mannelijke soort. ‘Laat me sabbelen aan de teen van de minsten aller mannen’. Zo dus, pats boem, en dat zeer onrustig in een monoloog van tien minuten door haar zelf vertolkt, in een adembenemend geschreeuw, geklaag en gesteun.
 Vergeet de grijstinten: bij Liddell gaat het alleen maar om Grote en Diepe Gevoelens.
 En dan is er ook nog die niet te missen Spaans-katholieke ondertoon; Openen met het Kyrie Eleison én met naakte mannen. Dit is mijn lichaam. Later zijn er pikken die ze vastgrijpt als waren het hanglussen in een Weense tram. Mannen, geknield als voor Maria, maar nu met hun naakte kont naar het publiek gekeerd, waarin soms een bloemenboeket wordt gestoken.

 Liddell’s idee: De kunst moet een absolute vrijplaats zijn, ook voor (seksueel) geweld, voor bloed, seks en ‘het wilde.’ Want het esthetische geweld maakt het dagelijkse geweld dragelijk.
 Alles in de kunst moet tegen het puritanisme gericht zijn, van conservatieve of progressieve snit – Liddell lijkt hier ook te verwijzen naar de #MeToo beweging. ‘Want de ideologie heeft nu de plaats ingenomen van wat vroeger het verbod van de religie was.’
 Over ideologie gesproken: kan je het eens zijn met een voorstelling van Liddell. Kan je het ermee oneens zijn? Kan dat überhaupt in de kunst? Dat dunkt me niet. Je raakt overdonderd, soms overvoerd. Ik betrapte mezelf twee keer op een (katholiek) schietgebedje: laat de voorstelling NU afgelopen zijn. Om vlak daarna verrast te worden door een van de mooiste theatermonologen die ik ooit hoorde.
 Wenen, de stad van Freud, van de verborgen perversies.
 Liddell, die onbeschroomd alles verbeeldt, alles toont wat verborgen moet blijven.
 Is ze anti feministisch of juist bij uitstek feministisch? Racistisch, soms?
 Dit bereikt Liddell: ik denk niet meer wat ik toch al dacht. Ik denk wat ik ook had kunnen denken. Ik schrap als het ware de ideologie uit mijn esthetica.

 Grote woorden. Toe maar.

Stephan sanders.

HF BLOG