Hypnotiserende klankarchitectuur van IJslandse celliste.

Hildur Guðnadóttir

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Als je een cello ziet staan met een arsenaal aan pedalen en andere elektronica, is de eigenaresse waarschijnlijk Hildur Guðnadóttir, een IJslandse celliste en vocaliste die zich nadrukkelijk manifesteert in de voorhoede van experimentele pop en hedendaagse muziek (onder andere met de band múm). In haar solowerk ontlokt ze een breed klankspectrum aan haar instrument: van intieme eenvoud tot overweldigende klankmassa’s. In het Bimhuis speelt Guðnadóttir twee werken op nieuw ontwikkelde elektrische cello’s: één die met feedback werkt en één die is verbonden met houten sculpturen die meevibreren. Hoofdwerk is het titelnummer van haar laatste album Leyfðu ljosinu; een gelaagde, hypnotiserende klankarchitectuur van stem en cello die geleidelijk aanzwelt tot massieve proporties.
Programma

CREDITS

zang, cello
Hildur Guðnadóttir
ontwerp
Halldór Úlfarsson
ontwerp surround cello en klanksculpturen
Hans Jóhannsson

Gudnadottir takes a cello and a gentle voice and, through software manipulation, scales simple phrases up to dcelestial heights.

The Wire

Achtergrondinformatie

In een kleine lichtcirkel op een donker podium, ingeklemd tussen een versterker en een tafeltje met een laptop, omringd door effectpedalen, zit een jonge vrouw met een cello. Het is een verrassend beeld, waarnaar je door de ongewone combinatie van elementen blijft kijken. Die jonge vrouw is de IJslandse celliste en componiste Hildur Guðnadóttir (1982). In 2012 bracht zij met Leyfðu ljósinu haar derde soloalbum uit, dat unaniem lovend werd onthaald. In het Holland Festival speelt ze in het Bimhuis Leyfðu ljósinu en brengt daarnaast twee nieuwe composities voor bijzondere instrumenten.

 

Guðnadóttir studeerde cello, compositie en nieuwe media in Reykjavik en Berlijn, en ontwikkelde zich daarnaast op het terrein van pop en experimentele muziek. Zij vergaarde vooral bekendheid met enkele samenwerkingsprojecten, onder andere met de bands Pan Sonic, múm en The Knife en met de Amerikaanse componist Nico Muhly. Ook maakt zij deel uit van Stórsveit Nix Noltes (Nix Noltes Big Band), een roulerende bezetting van zeven tot tien IJslanders die traditionele Bulgaarse en Griekse dansmuziek spelen. Deze groep heeft als voorprogramma van Animal Collective door de Verenigde Staten getourd.

 

Op haar debuutalbum Mount A (2006), waarvan in 2010 een geremasterde versie uitkwam, ontpopte Guðnadóttir zich tot een ware multi-instrumentaliste: behalve van haar cello en laptop bediende ze zich van harp, vibrafoon, viola da gamba en zang, waarmee zij een duistere, uit repetitieve patronen opgebouwde soundscape construeerde. Voor haar tweede album Without sinking uit 2009 werkte ze samen met gerenommeerde IJslandse musici als jazzbassist Skúli Sverrisson en componist Jóhann Jóhannsson. Op haar derde album is ze wederom alleen, ditmaal met enkel haar cello, haar stem en haar laptop.

 

Leyfðu ljósinu, minder sereen dan zijn voorgangers, is een fascinerend album. De IJslandse titel wordt vertaald als ‘sta het licht toe’. Dat klinkt als een bezwering, en de muziek versterkt die indruk. Het album bestaat uit slechts twee tracks: een Prelude van vier minuten en het titelstuk van ruim 35 minuten. Het geheel werd in januari 2012 live in de studio opgenomen, in het Music Research Centre van de University of York – dus zonder publiek, maar ook zonder uitgebreide geluidsnabewerking en het achteraf inspelen van andere partijen. Je hoort wat Guðnadóttir met haar cello en haar elektronica gedurende 40 minuten ten overstaan van drie microfoons ten gehore heeft gebracht, niets meer en niet minder. Die ‘live in de studio’-werkwijze, die eigenlijk alleen nog bij jazz en klassieke muziek wordt toegepast, brengt een bepaalde connotatie van artistieke eerlijkheid met zich mee: geen trucs, geen maskerades; dit is wat het is.

 

Het tempo ligt bij Leyfðu ljósinu vrijwel onveranderlijk laag. De Prelude bestaat uit niet meer dan enkele lage gestreken tonen, gescheiden door lange rusten. Het titelstuk begint met Guðnadóttirs frêle alt boven een subtiele drone; langzaam zingt ze twee tonen en herhaalt dat interval minutenlang. Ze maakt een loop van haar stem en zingt er vervolgens lange tonen overheen. Op die manier bouwt ze ook haar cellopartij uit tot een gelaagde klankarchitectuur van sonore, overwegend lage, elektronisch bewerkte strijktonen, een weefsel waarvan een hypnotiserend effect uitgaat en dat geleidelijk aanzwelt tot massieve proporties. Zorgvuldig werkt Guðnadóttir toe naar het slot, dat met zijn snelle streek en nerveus stijgende lijn een ontnuchterend effect heeft. De soundscapecompositie heeft inmiddels een respectabele geschiedenis, waaraan Guðnadóttir met het fantasievolle en levendige Leyfðu ljósinu een sterk hoofdstuk heeft toegevoegd.

 

Naast Leyfðu ljósinu voert Guðnadóttir nog twee multidisciplinaire geluidsinstallaties op. De IJslandse vioolbouwer Hans Jóhannsson maakte voor haar een ‘surround-cello’, een instrument dat nog wel verwijst naar de eeuwenoude traditie van vioolbouw, maar toch vooral eenentwintigste-eeuws is; een creatie op het snijvlak van kunst, architectuur en natuurkunde. Deze cello heeft verschillende resonerende lichamen van hout, vreemdvormige, prachtige sculpturen die deze installatie behalve een akoestische belevenis ook tot een lust voor het oog maken. Daarnaast speelt Guðnadóttir een werk op de Halldorophone#5, een bijzondere cello met een elektronisch feedback-systeem die is ontwikkeld door de IJslandse kunstenaar en ontwerper Halldór Úlfarsson.

DEZE VOORSTELLING IS MEDE MOGELIJK GEMAAKT DOOR