Brittens klassieke kameropera over verleiding, zonde en vergiffenis.

The Rape of Lucretia

Benjamin Britten, Oliver Knussen, Ian Bostridge, Angelika Kirchschlager

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Na het grote succes van Curlew River vorig jaar presenteert het Holland Festival dit jaar Benjamin Brittens eerste kameropera The Rape of Lucretia, concertant uitgevoerd onder leiding van Oliver Knussen, met internationaal topsolist Ian Bostridge. Het beroemde verhaal gaat terug naar 509 voor Christus, een scharnierpunt in de geschiedenis van Rome dat de overgang markeert van het koninkrijk naar de Republiek. Betoverd door haar schoonheid en kuisheid besluit prins Tarquinius Lucretia, vrouw van generaal Collatinus, te verleiden. Als zij weigert, verkracht hij haar. Na deze schanddaad voelt Lucretia zich onherstelbaar besmeurd en pleegt zelfmoord. De misdaad van de prins wordt door generaal Junius aangegrepen om de monarchie omver te werpen en de Republiek te stichten.

Achtergrondinformatie

Na Curlew River in 2010 is dit jaar een andere kameropera van de Engelse componist Benjamin Britten tijdens het Holland Festival te horen: The Rape of Lucretia. Het betreft in dit geval een concertante uitvoering. Britten schreef het werk voor alt Kathleen Ferrier, die de titelrol vertolkte bij de première op 12 juli 1946 in Glyndebourne, een productie die kort daarna al in een pionierseditie van het Holland Festival te zien was. Het libretto is van de hand van Ronald Duncan, die zich baseerde op het toneelstuk Le Viol de Lucrèce (1931) van André Obey; de bekendste Engelstalige versie van het verhaal is het verhalende gedicht van Shakespeare uit 1594, en de oudste bronnen ervan zijn de Romeinse schrijvers Ovidius en Livius. The Rape of Lucretia is het eerste werk dat Britten een ‘chamber opera’ noemde: een opera die bedoeld is om door een kamerensemble te worden uitgevoerd. Een van de aanleidingen voor het ontstaan van dit genre vormde de deels door economische omstandigheden ingegeven behoefte van de English Opera Group aan werken die eenvoudig op tournee konden worden genomen en uitgevoerd in relatief kleine ruimtes. Britten schreef nog verschillende andere kameropera's, zoals Albert Herring en het tijdens de vorige editie van het Holland Festival uitgevoerde Curlew River. De bezetting voor The Rape of Lucretia bestaat uit acht zangers en een ensemble van strijkkwintet, houtblazers, percussie, piano en harp.

The Rape of Lucretia (1946) is een opera in twee bedrijven. Deze twee bedrijven worden voorafgegaan door een proloog, waarin twee ‘vertellers’ (aangeduid als Male Chorus en Female Chorus) de situatie uiteenzetten: het decor is Rome, enkele eeuwen voor Christus, onder de dreiging van een Griekse inval. De rol van de beide ‘koren’ is deze heidense geschiedenis van een christelijke interpretatie te voorzien. Daarbij maken het Male Chorus en het Female Chorus de gedachten van de protagonisten hoorbaar voor het publiek.

Het eerste bedrijf begint in een legerkamp buiten Rome, waar de beide generaals Collatinus en Junius en de prins van Rome Tarquinius samen zitten te drinken. Recentelijk is aan het licht gekomen dat alle soldatenvrouwen gedurende de afwezigheid van hun mannen overspel hebben gepleegd – met uitzondering van Lucretia, de vrouw van Collatinus. Junius hitst Tarquinius op en de jonge prins rijdt nog diezelfde nacht naar Rome om de kuisheid van Lucretia hoogstpersoonlijk op de proef te stellen. Lucretia kan Tarquinius haar gastvrijheid niet weigeren en verleent hem angstig onderdak.

De openingsscène van het tweede bedrijf vormt het zwaartepunt van het drama: midden in de nacht sluipt Tarquinius de slaapkamer van Lucretia binnen, kust haar wakker en, vast overtuigd van haar heimelijke verlangen, hoewel ze hem smeekt weg te gaan, verkracht haar. De volgende ochtend is Tarquinius vertrokken. Lucretia stuurt een boodschapper naar Collatinus, haar man, en vraagt hem naar huis te komen. Ondanks zijn troost voelt zij zich onherstelbaar besmeurd en pleegt zelfmoord. De misdaad van de prins zal door generaal Junius worden aangegrepen om een opstand tegen de koning van Rome te doen ontbranden. Het Female Chorus wanhoopt over de wrede en kennelijk zinloze afloop, maar het Male Chorus vertelt haar dat alle pijn betekenis krijgt in het lijden van Christus.

The Rape of Lucretia wordt uitgevoerd door het Aldeburgh Festival Ensemble onder leiding van Oliver Knussen, met als solisten tenor Ian Bostridge (Male chorus), sopraan Susan Gritton (Female chorus), bariton Peter Coleman-Wright (Tarquinius) en mezzosopraan Angelika Kirchschlager (Lucretia).

Biografieën

Benjamin Britten (1913-1976) was een Engelse componist, pianist en dirigent. Hij wordt wel eens beschouwd als de grootste Engelse componist sinds Henry Purcell en behoorde tot de meest prominente klassieke componisten van de twintigste eeuw. Britten begon zijn compositiestudie reeds op twaalf-jarige leeftijd bij Frank Bridge aan de Gresham’s School in Holt, Norfolk. Dankzij een beurs kon hij vervolgens verder studeren aan het Royal College of Music in Londen bij John Ireland (compositie) en Arthur Benjamin (piano); een beurs om in Wenen te studeren bij Webern en Berg werd hem geweigerd. Niettemin oogstte hij al met zijn vroege werken groot succes en kwam zijn doorbraak met de Variations on a theme of Frank Bridge dat zijn première beleefde op het Salzburg Festival in 1937. Op grond van zijn volgende composities, met name Sinfonia da Requiem en Serenade, werd hem een leidende rol in de wereld van de Britse klassieke muziek toegedicht. In 1945 volgde de première van zijn tweede opera Peter Grimes, waarvoor hij definitieve erkenning kreeg. Van 1939 tot 1942 woonde Britten in de Verenigde Staten en bij terugkomst vestigde hij zich in het Engelse kustplaatsje Aldeburgh, waar hij in 1948 het inmiddels wereldberoemde Aldeburgh Festival oprichtte. Ook was hij regelmatig te gast in het Holland Festival, ondermeer met de eerste volledige uitvoering van zijn War Requiem. Britten schreef veel werken voor zijn partner de tenor Peter Pears en wordt gezien als een van de grootste componisten van vocale muziek in de muziekgeschiedenis. Voor zijn ontwikkeling op dit vlak was ook de samenwerking met de Engelse dichter W.H. Auden van groot belang. Andere bekende werken van Britten zijn onder andere The Young Person’s Guide to the Orchestra, A Midsummer Night’s Dream op tekst van Shakespeare, Death in Venice en het War Requiem. Daarnaast componeerde hij ook veel filmmuziek. In 1976, het jaar van zijn dood, werd hij in de adelstand verheven.

Oliver Knussen (Glasgow 1952) is een Brits componist en dirigent. Hij studeerde op zeer jonge leeftijd compositie bij John Lambert, tussen 1963 en 1969, en werd aangemoedigd door Benjamin Britten. Hij zette zijn studie voort in de Verenigde Staten (Tanglewood en Boston) bij onder meer Gunther Schuller. In 1975 keerde hij terug naar Engeland. Op 15-jarige leeftijd maakte hij zijn debuut als dirigent bij het London Symphony Orchestra: in de Royal Festival Hall in Londen waar hij de première van zijn Eerste Symfonie (1966-1967) dirigeerde. Voor zijn Tweede Symfonie ontving hij in 1971 in Tanglewood de Margaret Grant Prize. Van 1986 tot 1998 was hij hoofd van de activiteiten op het gebied van de hedendaagse muziek in Tanglewood. Tussen 1992 en 1996 was Knussen eerste gastdirigent van het Residentie Orkest in Den Haag. Hij was van 1983 tot 1998 mede-artistiek leider van het Aldeburgh Festival. Tussen 1998 en 2002 was hij dirigent van het London Sinfonietta. Sindsdien is hij Conductor Laureate van dit ensemble. Vanaf september 2006 is Knussen Artist-in-Association bij de Birmingham Contemporary Music Group. In samenwerking met kinderboekenauteur Maurice Sendak schreef Knussen in de jaren 80, in opdracht van het festival van Glyndebourne, de opera’s Where the Wild Things Are (l979-1983) en Higglety Pigglety Pop! (1984-1990). Tot zijn overige composities behoren Hums and Songs of Winnie-the-Pooh (1970–1983), Ophelia Dances (1975), de Derde Symfonie (1973–1979); het Hoornconcert (1994) en het Vioolconcert (2002). Knussens meest recente werk is de liederencyclus Songs for Sue uit 2006, vier gedichten van Emily Dickinson voor sopraan en een 15-koppig ensemble, ter nagedachtenis aan zijn in 2003 overleden echtgenote. Al geruime tijd worden twee nieuwe werken aangekondigd, een Celloconcert voor de Los Angeles Philharmonic en het naar Moessorgsky verwijzende grote orkestwerk Cleveland Pictures voor het Cleveland Orchestra. Oliver Knussen heeft al jaren een hechte band met het Nederlandse ensemble Asko|Schönberg, waarmee hij vaak samenwerkt als gastdirigent.

Ian Bostridge (1964) is een Engelse tenor. Hij studeerde geschiedenis en wetenschapsfilosofie aan de universiteiten van Oxford en Cambridge en promoveerde in 1990 in Oxford. In 1991 won hij de National Federation of Music Societies Award en vanaf 1992 ontving hij ondersteuning van de Young Concert Artists Trust. Hoewel hij geen conservatoriumopleiding heeft genoten, zegde Bostridge in 1995 zijn academische baan op en werd fulltime zanger. In 1995 won hij de Royal Philharmonic Society's Debut Award voor zijn eerste solorecital in Wigmore Hall. Hij heeft in gerenommeerde concertzalen en festivals over de hele wereld opgetreden, zoals Purcell Room, Aldeburgh Festival, Frankfurter Alte Oper, Alice Tully Hall, Carnegie Hall, Het Concertgebouw in Amsterdam en Konzerthaus Wien. Voor zijn opname van Schuberts Die schöne Müllerin won hij in 1996 de Gramophone Solo Vocal Award. In 1998 won hij de prijs opnieuw met een opname van Schumannliederen. Andere prijzen die hij heeft gewonnen zijn Grammy, Edison, Japanese Recording Academy, Brit, Echo Klassik en de Deutsche Schallplattenpreis. Op het concertpodium heeft hij opgetreden met onder meer London Symphony Orchestra, Scottish Chamber Orchestra en City of Birmingham Symphony. Sinds zijn debuut als Lysander in Brittens A Midsummer Night's Dream in 1994 heeft Bostridge talloze operarollen gezongen. Tot zijn operaopnames behoren Flute in A Midsummer Night’s Dream, Belmonte in Die Entführung aus dem Serail en Tom Rakewell in The Rake's Progress, in een met een Grammy Award bekroond album op Deutsche Grammophon. In 2004 werd hij benoemd tot Commander of the British Empire. Hij is Honorary Fellow van de Oxford Colleges Corpus Christi en St John's, en ontving in 2004 een eredoctoraat van de University of St Andrews. Zijn artikelen over muziek zijn verschenen in The Guardian, The Times Literary Supplement, Opernwelt, BBC Music Magazine, Opera Now en The Independent. In september 2011 publiceert uitgeverij Faber and Faber een bundel van Bostridges teksten over muziek onder de titel A Singer's Notebook.

Angelika Kirchschlager (1965) is een Oostenrijkse mezzosopraan. Ze begon haar muziekopleiding aan het Mozarteum in Salzburg, waar ze percussie en piano studeerde. In 1984 ging ze naar de Weense Muziek Academie, waar ze bij Gerhard Kahry en Walter Berry zang studeerde. In 1991 won ze de derde prijs in de Internationale Hans Gabor Belvedere Zang Competitie. Haar eerste betrekkingen waren bij de Wiener Kammeroper en de Opera van Graz. In Graz maakte ze in 1993 haar podiumdebuut als Octavian in Strauss' Der Rosenkavalier. Datzelfde jaar trad ze aan bij de Weense Staatsopera en maakte daar haar debuut als Cherubino in Le nozze di Figaro. In 2002 zong Kirchschlager in het Royal Opera House in Londen de titelrol bij de wereldpremière van Sophie's Choice van Nicholas Maw. Naast haar werk op het operapodium zingt zij ook regelmatig concerten en geeft ze liedrecitals door heel Europa en de Verenigde Staten. Tot de operahuizen en concertzalen waar zij optreedt, behoren Carnegie Hall, Metropolitan Opera, Barbican Centre, Wigmore Hall, Opera Bastille, Teatro alla Scala, Théâtre des Champs Elysées, Cité de la Musique, San Francisco Opera en Royal Opera House. Ze heeft samengewerkt met gerenommeerde dirigenten als Sir Colin Davis, Sir John Eliot Gardiner, Nikolaus Harnoncourt, Christopher Hogwood, James Levine, Kurt Masur, Sir Simon Rattle, Kent Nagano, Claudio Abbado en Seiji Ozawa; en met orkesten als New York Philharmonic, Boston Symphony Orchestra, Orpheus Chamber Orchestra, Venice Baroque Orchestra, London Symphony Orchestra en Orchestre Philharmonique de Strasbourg. Kirchschlager woont in Wenen en heeft een zoon uit haar huwelijk met bariton Hans Peter Kammerer. In 2000 won ze een Duitse Echo Muziekprijs voor beste Liedopname voor haar aan haar zoon opgedragen album met klassieke en populaire wiegeliedjes.

Susan Gritton (1965) is een Engelse sopraan. Ze werd opgeleid aan de University of Oxford en aan de University of London, waar ze plantkunde studeerde. In 1994 maakte Gritton haar recitaldebuut in Wigmore Hall en datzelfde jaar won ze de Kathleen Ferrier Memorial Prize. In 2000 werd ze een ‘Company Principal’ bij de English National Opera en in 2003 ontving ze twee grote prijzen voor cd-opnames: de International Handel Recording Prize voor Handels The Choice of Hercules en de Gramophone Award voor de Missen van Johann Nepomuk Hummel. Tot haar operarollen behoren Xenia in Moessorgsky’s Boris Godoenov, Nannetta in Verdi’s Falstaff, Pamina in Die Zauberflöte, Atalanta in Handels Xerxes, Barbarina en Susanna in Le nozze di Figaro, Zerlina in Don Giovanni, Cleopatra in Handels Giulio Cesare, Marzelline in Fidelio, Fiordiligi in Così fan tutte, Sophie in Strauss’ Der Rosenkavalier en Euridice in Glucks Orfeo ed Euridice. Behalve bij de English National Opera heeft ze gezongen in producties bij onder meer Glyndebourne Festival Opera, Deutsche Staatsoper, Royal Opera House, Snape Maltings, Istanbul International Music Festival, Bayerische Staatsoper, Mostly Mozart Festival in New York, La Monnaie/Munttheater in Brussel, Opera Australia in Sydney, Théâtre des Champs-Élysées en Teatro dell'Opera di Roma. Ze heeft concerten verzorgd in onder meer Het Concertgebouw in Amsterdam, Purcell Room, Queen Elizabeth Hall, Weense Konzerthaus en Philharmonie Berlin. Ze heeft samengewerkt met gerenommeerde dirigenten als John Eliot Gardiner, Riccardo Chailly, Neeme Järvi, Sir Colin Davis, Mikhail Pletnev, Christoph von Dohnányi, Kent Nagano en Bernard Haitink.

Peter Coleman-Wright is een Australische bariton. Hij voelt zich evenzeer thuis in het operahuis als op de concert- en recitalpodia en treedt al vele jaren over de hele wereld op. Coleman-Wright maakte zijn debuut als Guglielmo in Così fan tutte met de English Touring Opera, waarna hij diezelfde rol zong bij de prestigieuze Glyndebourne Opera. Tegenwoordig zingt hij met regelmaat grote rollen in producties bij Metropolitan Opera New York, English National Opera, Opera Australia, Royal Opera en Covent Garden. Als concertzanger heeft hij veelvuldig opgetreden in Britse zalen als Royal Festival Hall, Barbican Centre, Wigmore Hall, Royal Albert Hall Proms, St. Paul's Cathedral, Queen Elizabeth Hall. Hij trad ook op in het Aldeburgh Festival en in gerenommeerde Europese zalen zoals Het Concertgebouw. Hij treedt op met orkesten als Radio Philharmonisch Orkest, Schönberg Ensemble, Royal Liverpool Philharmonic en London Symphony Orchestra, en met dirigenten als Sir Colin Davis, Sir Mark Elder en Sir Simon Rattle. Hij heeft recitals gegeven op het Italiaanse Spoleto Festival, in de Accademia Santa Cecilia in Rome, het Palais Garnier in Parijs en op het Naantali Muziek Festival in Finland. Zijn opnames zijn verschenen op de labels EMI, Chandos, Telarc en Hyperion labels met werken van onder anderen Stravinsky, Delius, Vaughan-Williams, Britten, Mendelssohn en Hubert Parry. Coleman-Wright is als mentor betrokken bij het Young Artist Programme van de Opera Australia. In 2008 werd hem een eredoctoraat van de University of Melbourne toegekend. In 2010 zong hij de wereldpremière van de opera Bliss van Brett Dean voor de Opera Australia. Coleman-Wright woont in Londen en in Australië en is getrouwd met de sopraan Cheryl Barker.                           

CREDITS

muziek
Benjamin Britten
libretto
Ronald Duncan
muzikale leiding
Oliver Knussen
tenor
Ian Bostridge
sopraan
Susan Gritton
bariton
Peter Coleman-Wright
mezzosopraan
Angelika Kirchschlager
uitvoering
Aldeburgh Festival Ensemble
productie
Aldeburgh Festival