Nederlandse première van een hoofdwerk van de 20ste-eeuwse Venetiaanse componist, ruimtelijk vormgegeven als een ‘surround’-ervaring.

Caminantes... Ayacucho

Radio Kamer Filharmonie & Groot Omroepkoor, Componist: Luigi Nono

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Achtergrondinformatie

Caminantes........Ayacucho / Spem in Alium / De laatste heidense riten

Vertrekpunt voor dit programma is Caminantes........Ayacucho, het laatste grote orkestwerk dat Luigi Nono in 1987 schreef. Nono vermeldt in zijn toelichting verschillende elementen die aan het stuk ten grondslag liggen:

  • Caminantes staat voor ‘wandelaar’. Het woord is te vinden op een Franciscaner kloostermuur in Toledo waarop geschreven staat caminantes, no hay caminos, hay que caminar oftewel: “wandelaar, er is geen weg, men moet gaan (zoeken)”.
  • Ayacucho is een stad in het zuiden van Peru. Hier vond in 1824 de beslissende slag plaats tegen de Spanjaarden. Het gebied waarin deze stad zich bevindt was al eeuwen lang berucht als centrum van rebellie tegen voogdijschap. Nono ziet de Peruanen van toen als ‘wandelaars’ die op zoek waren naar vernieuwende wegen en daarmee recht tegenover de onderdrukkers kwamen te staan.
  • De door de inquisitie ter dood veroordeelde renaissancefilosoof Giordano Bruno. Nono zag in hem het toonvoorbeeld van een ‘wandelaar’ op zoek naar innovatie. Van Giordano Bruno gebruikte hij een Latijns sonnet.
  • Een uitspraak van Edgar Varèse uit 1947, het stoutmoedige experiment verdedigend.
  • De dubbelkorigheid van zijn geliefde componisten Andrea en Giovanni Gabrieli.

Wat dat laatste betreft is het niet verwonderlijk dat Nono in Caminantes........Ayacucho een ruimtelijke opstelling voorschrijft voor de vocale en instrumentale groepen. Intussen gedateerde, maar nog steeds boeiende live elektronica drukt een pregnant stempel op het totale muzikale resultaat. Er zijn grote raakvlakken met zijn eerdere werk Prometeo.

Caminantes........Ayacucho vormt samen met No hay caminos, hay que caminar...Andrei Tarkowskij en “Hay que caminar” sognando een trilogie. Het werk neemt in het oeuvre van Nono een belangrijke plaats in en werd in Nederland nog niet eerder uitgevoerd.

Caminantes........Ayacucho klinkt bijna als een ritueel: concentratie op enkele tonen; indrukwekkende expressiviteit; heftigheid tegenover verstilling en ingetogenheid. Een zoektocht naar klank, kleur en de zin van het leven; veeleisend voor musicus en luisteraar.

 

Nono werkt met een ruimtelijke opstelling. Ruimte en muziek is de invalshoek voor dit programma. De avond wordt geopend met één van de meest bijzondere composities uit de muziekgeschiedenis op het gebied van ruimtelijke opstelling, Spem in alium uit 1573 van Thomas Tallis. Tallis groepeert zijn zangers in acht groepen van vijf in de vorm van een hoefijzer. De uitvoering vindt niet op het podium plaats maar in de voor dit doel aangepaste zaal. Het publiek wordt dan volledig ingesloten door de hoefijzervorm.

Het stuk begint met één stem uit het eerste koor. Geleidelijk nemen andere stemmen uit de volgende groepen één voor één de melodieën over. De vocalisten eindigen ook weer in dezelfde volgorde. Hierdoor verplaatst het muzikaal materiaal zich van koor één naar koor acht. Vanaf maat veertig zingen alle veertig zangers een paar maten tegelijk waarna het proces zich in omgekeerde volgorde voltrekt, dus van koor acht naar koor één. Na een volgend kort tuttigedeelte zingen de koren paarsgewijs: de muziek wordt heen en weer gekaatst door de ruimte. Tot slot zingen alle veertig zangers tegelijk.

 

Een bijzonder fraai werk waar een combinatie mee gemaakt wordt is De laatste heidense riten van Bronius Kutavičius, geschreven voor koor, kinderkoor, orgel en vier hoorns. De teksten zijn ontleend aan diverse Litouwse sagen.

De vier hoorns staan in de vier hoeken van de zaal. De koren wandelen binnen en splitsen zich een aantal keren in groepen van wisselende grootte waarbij er steeds anders rondom het publiek opgesteld wordt. Aan het einde verdwijnen de vocalisten weer door dezelfde deur als waardoor ze binnenkwamen.

 

Biografieën

Luigi Nono (1924-1990) volgde vanaf 1941 compositielessen bij Gian Francesco Malipiero. Het zwaartepunt van die lessen lag bij werken uit de 16e en 17e eeuw, waaraan hij een levenslange fascinatie voor polyfonie overhield, en bij de in fascistisch Italië verboden muziek van de Tweede Weense School. Overeenkomstig de wens van zijn familie ging hij rechten studeren in Padua waar hij in 1946 afstudeerde. Ontmoetingen met Bruno Maderna en dirigent Hermann Scherchen deden zijn bewondering voor de muziek van Webern en Schönberg alleen maar toenemen en in 1950 nam hij voor het eerst deel aan de ‘Zomercursussen voor nieuwe muziek’ in Darmstadt. In de jaren vijftig bezocht hij de cursussen in Darmstadt regelmatig, van 1957 tot 1960 ook als docent, en een aantal van zijn composities ging daar in première. Bij een uitvoering van Schönbergs opera Moses und Aron in Hamburg ontmoette hij Schönbergs dochter Nuria, met wie hij in 1953 trouwde.

Sinds 1952 was Nono lid van de communistische partij en een groot aantal van zijn werken heeft een politieke lading. Vanaf 1960 gaf hij les in onder meer Polen en de Sovjet-Unie.

In de loop van zijn carrière legde hij zich steeds meer toe op elektronische muziek. Samen met Boulez en Stockhausen wordt Nono tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de Darmstadt School gerekend, maar anders dan zijn twee collega's heeft hij van meet af aan een grote mate van vrijheid genomen in zijn toepassing van de principes van het serialisme.

Thomas Tallis (ca. 1505-1585) wordt beschouwd als een van de belangrijkste en beste componisten van vroege Engelse kerkmuziek. Over zijn jeugd en opleiding tijdens de eerste decennia van de 16e eeuw is vrijwel niets bekend, maar in 1530-31 werd hij aangesteld als organist van de Priorij van Dover. Daarna was hij werkzaam in Londen, aan de Augustijner abdij in Waltham, en in de Kathedraal van Canterbury, voor hij in 1543 werd aangesteld als lid van de Koninklijke Kapel. In die hoedanigheid was het zijn taak om muziek te schrijven voor de Protestantse Kerk van Engeland en trad hij op voor achtereenvolgens de koningen Henry VIII en Edward VI, en de koninginnen Mary en Elizabeth I. Tallis hield zich steeds afzijdig van de felle 16e-eeuwse godsdiensttwisten, maar de religieuze voorkeuren van de opeenvolgende monarchen die hij diende stelden strenge eisen aan de muziek van de liturgie. Hij trouwde rond 1552.

De breuk van Henry VIII met de Rooms-Katholieke kerk in 1534 was van grote invloed op de ontwikkeling van de muziek; in het algemeen werd het gebruik van melisma's teruggebracht ten faveure van een meer syllabische tekstzetting. Tallis was een van de eerste kerkmusici die Engelse teksten op de muziek zette voor de herziene Anglicaanse liturgie, hoewel het Latijn ook nog steeds werd gebruikt. In 1575 kende koningin Elisabeth I Tallis en zijn jongere tijdgenoot William Byrd een bijzonder monopolie van 21 jaar toe op het schrijven van polyfone muziek.

Bronius Kutavičius (geboren 1932) is een van de meest toonaangevende figuren in de nieuwe muziek van Litouwen. Hij groeide op temidden van Litouwse volksmuziek op het platteland en vond relatief laat zijn weg naar het conservatorium van Vilnius, waar hij van 1959 tot 1964 compositie studeerde. Daarna gaf hij enige tijd les aan een muziekschool alvorens hij werd aangesteld als docent van de Litouwse Muziekacademie. Naar eigen zeggen heeft het enige tijd geduurd voor Kutavičius zijn eigen creatieve pad gevonden had en pas in de jaren zeventig schreef hij de eerste werken waarin men van een echt persoonlijke muzikale taal kan spreken.

Kutavičius wordt wel beschouwd als degene die het minimalisme naar Litouwen heeft gebracht en zijn werk geeft daar ook zeker aanleiding toe: opeenstapelingen van muzikale lagen, veel herhalingen en het terugbrengen van het materiaal tot elementaire patronen. Desondanks heeft hij in betrekkelijke afzondering een geheel eigen geluid ontwikkeld dat diep geworteld is in de volksmuziektraditie van Litouwen. De titels van zijn composities getuigen vaak van zijn voorliefde voor de archetypen van het mythische en religieuze bewustzijn, zoals het Pantheïstisch Oratorium (1970) en De wereldboom (1986). In de bezetting van sommige van zijn werken zijn instrumenten uit de Litouwse volksmuziek opgenomen.

CREDITS

muziek
Bronius Kutavicius, Luigi Nono, Thomas Tallis
dirigent
James Wood
regie De Laatste Heidense Riten
Machteld van Bronkhorst
basfluit
Roberto Fabbriciani
alt
Susanne Otto
sopraan
Gintare Skeryte
uitgevoerd door
Radio Kamer Filharmonie, Groot Omroepkoor en Nationaal Kinderkoor
realisatie van de live elektronica
EXPERIMENTALSTUDIO des SWR - Reinhold Braig, Michael Acker
coproductie
Holland Festival en NPS
mede mogelijk gemaakt door
Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties