Internationale uitvoering van Janáceks opera door Pierre Boulez, Patrice Chéreau en Richard Peduzzi.

From the House of the Dead

Opening 60ste Holland Festival

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

De internationale topopera From the House of the Dead (Uit een Dodenhuis) zal in aanwezigheid van tal van prominente gasten de opening vormen van het 60ste Holland Festival. De opera staat onder leiding van een legendarisch artistiek team: dirigent/componist Pierre Boulez, regisseur Patrice Chéreau en vormgever Richard Peduzzi. Het drietal was in 1976 verantwoordelijk voor de opening van het honderdjarig jubileum van de Bayreuther Festspiele. Hun weergave van Der Ring des Nibelungen staat te boek als een van de hoogtepunten uit de geschiedenis van de opera. Voor het eerst werken deze meesters nu weer samen – in een productie waar in de muziek- én theaterwereld reikhalzend naar uitgekeken wordt. From the House of the Dead is een co-productie van het Holland Festival met de Wiener Festwochen, Festival d’Aix-en-Provence, de Metropolitan Opera in New York en Teatro alla Scala in Milaan. De samenwerking tussen de vijf internationaal gerenommeerde kunstinstituten is een zelden vertoond huzarenstukje. Niet alleen is het een reisproductie van ongekende omvang, maar vooral de deelname van topensembles en -vocalisten als het Mahler Chamber Orchestra, het Arnold Schoenberg Chor en Olaf Bär, John Mark Ainsley, Stefan Margita, Peter Straka en Wolfgang Brendel is bijzonder. From the House of the Dead, een werk van de Tsjechische componist Leoš Janáček, is voor de opera wat Picasso’s Guernica is voor de schilderkunst: een meesterwerk van de 20ste eeuwse Europese cultuur en tevens een aanklacht tegen de onmenselijkheid van de mensheid.

Achtergrondinformatie

‘Waarom met de schrijver van Schuld en Boete afdalen in de donkere, ijskoude cellen van criminelen? In de geesten van criminelen, en daar vind ik dan een goddelijke vonk. Je kan hun misdaden niet van hun doorgroefde gezichten vegen, net zomin als je die goddelijke vonk kan doven. In wat voor diepte brengt hij ons – maar zoveel waarheid in zijn werk!

Kijk hoe de oude man van de oven glijdt, naar het dode lichaam strompelt en er een kruisteken over maakt, om dan te mompelen: “Een moeder heeft ook hem gebaard”.

Dat zijn de lichtpunten in het dodenhuis.’

(tekst gevonden in Janáčeks vestzak na zijn dood)

 

 

De Tsjechische componist Leoš Janáček (1854-1928) schreef zijn meest bekende werken zoals Het Sluwe Vosje en De Zaak Makropoulos aan het einde van zijn leven. Zo ook From the House of the Dead, waaraan hij begon na het lezen van de memoires van Dostojevski over diens ervaringen in een Siberisch gevangenkamp.

De Russische schrijver Fjodor Dostojevski (De Gebroeders Karamazov, Misdaad en Straf) heeft enige tijd gevangen gezeten in een gevangenis in Omsk in Siberië wegens zijn betrokkenheid bij een socialistisch getinte organisatie. In zijn mémoires geeft hij een schets van het leven in een gevangenenkamp. Voor Janáček was het lezen van de mémoires (in het Russisch!) de opmaat voor een opera die, anders dan alle vorige opera’s die hij had gecomponeerd, niet één centraal personage heeft.

In drie aktes worden verschillende gevangenen aan het woord gelaten. Uit hun verhalen wordt duidelijk waarom ze zijn opgesloten; in enkele gebeurtenissen schetst Janáček de grimmige sfeer en de harde omstandigheden van het kamp. De onderlinge verhoudingen zijn grimmig – toch was het juist dit laatste waarin Janáček zijn inspiratie vond.

Hoe te overleven in zulke omstandigheden, en meer nog, hoe enige waardigheid en medemenselijkheid op te houden, was een vraagstuk dat de componist bezighield. In zijn muziek klinkt zowel het gruwelijke van de situatie als de compassie met de gevangenen, zijn begrip voor hun drijfveren.

Het leidt tot een opera die niet bepaald een happy ending heeft – eerder blijft een gevoel hangen over de onophoudelijke onmenselijkheid van de mensheid.

Geen ander thema is zó de 20e eeuwse opera binnengedrongen als het gevecht van de mens tegen zichzelf – nauwelijks verrassend gezien alle bloedbaden die een groot deel van dat tijdperk bepaalden. Janáček schreef From the House of the Dead na de Eerste Wereldoorlog, vlak voor het instorten van de Weimar Republiek en de opkomst van de Nationaal Socialistische partij. Het lot van de gewone man was één van zijn preoccupaties; door zijn opera de structuur te geven die hij nu heeft droeg Janáček bij aan het ontstaan van de humanitaire opera. 

Het werk kan het beste vergeleken worden met Picasso’s Guernica dat, ondanks het afgeschilderde slagveld, behoort tot de belangrijke meesterwerken van de 20e eeuwse schilderkunst. Dit geldt ook voor Janáček’s From the House of the Dead. Ondanks het aangrijpende karakter van de setting en de gebeurtenissen is gedurende de hele opera duidelijk dat de warmte van Janáček overwint. Deze warmte gaat gepaard met prachtige verbeeldingen van vrijheid: het vrijlaten van een vogel, het afschilderen van een rivier of de Paasviering in de opera creëren in feite een opbeurend geheel. Dit werk toont ons beelden van compassie en hoop, geworteld in pure en oprechte menselijkheid.

Het trio Pierre Boulez, Patrice Chéreau en decorontwerper Richard Peduzzi tekenden in 1976 voor de legendarische uitvoering van Der Ring des Nibelungen bij het honderdjarig jubileum van de  Bayreuther Festspiele. ‘Geniale interpretatie’, ‘perfecte acteursregie’, ‘subtiele muzikale uitwerking’, zijn slechts enkele van de superlatieven waarmee deze opera door de internationale pers werd overladen. Hun weergave van Der Ring des Nibelungen staat te boek als een van de hoogtepunten uit de geschiedenis van de opera en maakte vijf seizoenen lang furore. Voor het eerst werken deze meesters nu weer samen – in een productie waar in de muziek- én theaterwereld reikhalzend naar uitgekeken wordt.

From the House of the Dead is een co-productie van het Holland Festival met de Wiener Festwochen, de Scala in Milaan, Festival d’Aix-en-Provence en de Metropolitan Opera in New York. De samenwerking tussen de vijf internationaal gerenommeerde festivals en operahuizen is een zelden vertoond huzarenstukje. Niet alleen betreft het een reisproductie van ongekende omvang, maar met name de participatie van internationale topkunstenaars uit alle windstreken mag spectaculair worden genoemd.

 

 

Synopsis

Een gevangenenkamp in Siberië, een winterochtend.

De gevangenen roddelen over een nieuwkomer, een man van adel. Een grote gevangene ruziet met de kleine gevangene; Luka Kuzmitsch haalt hen uit elkaar. De nieuwe gevangene, Gorjantschikov, wordt ondervraagd door de gouverneur, die vervolgens het bevel geeft hem te geselen. De gevangenen treiteren een adelaar die zijn vleugel heeft gebroken; de garnizoenscommandant moedigt zijn soldaten aan Gorjantschikov te slaan.

Terwijl de gevangenen aan het werk gaan vertelt één van hen, Skuratov, over zijn verleden in Moskou. Dit irriteert de anderen zeer. Als hij eindelijk stil is vertelt Luka over zijn wederwaardigheden in het kamp. Als hij beland is bij een geseling die hij onderging wordt Gorjantschikov binnengedragen, halfdood na zijn aframmeling.

 

Laat in de middag in de lente.

Gorjantschikov biedt een jonge Tartaar, Aljeja, aan hem te leren lezen en schrijven. Het is Pasen, en aan het eind van de dag komt de lokale bevolking met geschenken voor de gevangenen. Skuratov vertelt hoe hij zijn zinnen had gezet op een huwelijk met een Duits meisje. Toen zij met een rijke horlogemaker trouwde ging hij naar de bruiloft en schoot de bruidegom dood.

De gevangenen spelen twee toneelstukken, een versie van Don Giovanni en The Lovely Miller’s Wife. Na de voorstellingen gaat een gevangene ervandoor met een prostituee. Terwijl Aljeja en Gorjantschikov thee drinken worden ze aangevallen door de kleine gevangene, die jaloers is op de status van Gorjantschikov. Aljeja raakt gewond.

 

Nacht. In de ziekenboeg.

Aljeja ijlt van de koorts. Luka, die stervende is, spuugt zijn gal over het serviele gedrag van Tschekunov. Schapkin beschrijft hoe een magistraat bijna zijn oren van zijn hoofd trok.

Schischkov vertelt over zijn geliefde Akulka. Schischkov’s rivaal, Filka Morozov, beweerde dat hij met Akulka had geslapen en maakte haar publiekelijk te schande. Schischkov werd overgehaald met haar te trouwen, en geloofde in eerste instantie in haar onschuld. Later overtuigde Filka hem van zijn vergissing. Toen Schischkov erachter kwam dat Akulka nog steeds van Filka hield doodde hij haar.

Als het verhaal is afgelopen sterft Luka. Dan herkent Schischkov hem als Filka.

 

Ochtend. In de gevangenis.

De dronken garnizoenscommandang verontschuldigt zich bij Gorjantschikov en kondigt zijn vrijlating aan. Aljeja neemt afscheid van hem. De gevangenen laten de adelaar vrij, die is hersteld van zijn gebroken vleugel.

 

Biografieën

Leoš Janáček

Leoš Janáček (1854-1928) werd geboren in Moravië en studeerde in Praag, Wenen en Leipzig. In 1881 keerde hij terug naar zijn geboortestreek en vestigde zich in Brno. Daar stichtte hij een orgelschool die in 1919, toen Brno in het onafhankelijke Tsjechoslowakije lag, als conservatorium werd voortgezet. Aan die opleiding doceerde hij compositie.

Als derde grote Tsjechische componist, na Dvořak en Smetana, liet Janáček zich door de volksmuziek van zijn land inspireren, maar hij deed dat op een geheel eigen wijze, waarbij hij de stromingen van zijn eigen tijd in zich opnam. De meeste van de werken die bekend zijn gebleven, schreef hij pas op latere leeftijd.

Zijn eerste opera, Sárka, componeerde hij in 1881. Zijn latere opera’s zijn zeer beroemd geworden: Jenufa (1904), Katja Kabanová (1921), Het sluwe vosje (1924), De zaak Makropoulos (1926) en Uit het dodenhuis (From the House of the Dead) (1927-28). Karakteristiek is de wijze waarop hij zijn melodieën synchroon laat lopen met het ritme en de intonatie van het Tsjechisch zoals dat gesproken wordt. Van zijn orkestwerken is Sinfonietta (1926) het bekendste: het is een volksmuziekachtig stuk dat wordt geopend door een opmerkelijke fanfare. Het optimistische stuk is ook een weerslag van de transformatie van zijn woonplaats Brno tot een moderne stad. Daarnaast zijn er de Lachische Dansen (1889/90) en de rapsodie Taras Bulba, naar het boek van Gogol over de beroemde kozakkenhoofdman. De originele versie uit 1915 mocht destijds niet worden uitgevoerd, omdat Oostenrijk-Hongarije in oorlog was met Rusland. Zeer Slavisch (Leoš Janáček was russofiel) is ook zijn Glagolitische Mis (1927) op Oudkerkslavische tekst.

Van zijn kamermuziek verdienen zijn cyclus Op een overgroeid pad (1901/02) voor piano, de liedcyclus Dagboek van een verdwenene (1918) en zijn beide strijkkwartetten, Kreuzersonate (1923, naar het verhaal van Tolstoi) en Intieme Brieven (1928), vermelding. Het laatste werk is opgedragen aan Kamila Stösslová, een jonge vrouw die gedurende zijn laatste, zeer productieve levensjaren zijn muze was. Leoš Janáček overleed in Ostrava op 74-jarige leeftijd.

 

Pierre Boulez

Een zeer productief en lang leven hebben van Pierre Boulez (Montbrison, Frankrijk 1925) een toonaangevend figuur gemaakt. Door zijn composities, zijn werk als docent, dirigent en door zijn voortdurend pleidooi voor eigentijdse  muziek heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van muziek in de twintigste eeuw. Hij studeerde eerst wiskunde te Lyon, en ging in 1942 naar Parijs om er aan het Conservatoire national supérieur de musique te gaan studeren, onder meer bij Olivier Messiaen. In 1946 werd hij muzikaal directeur van de Compagnie M. Renaud-J.L. Barrault, en begon met componeren. Zijn vroege composities waren uitgesproken serieel van karakter, met een belangrijke invloed van Messiaen.

Hij bevond zich al snel in de muzikale voorhoede door zijn voorkeur voor nieuwe manieren om kunst te produceren en consumeren. In het seizoen 1953/54 startte hij een serie concerten met uitsluitend contemporaine muziek. In 1958 begon zijn loopbaan als dirigent met een concert bij de Südwestfunk Orchester in Duitsland. Onenigheid tussen Boulez en de Franse regering over financiering van de kunsten leidde ertoe dat Boulez langere tijd buiten Frankrijk verbleef.

Boulez werd een overtuigd voorstander van meer abstractie en experiment in de muziek, en hij werd een boegbeeld van de avant-garde in de muziek. Hij zette zijn visie uiteen in verschillende publicaties zoals Penser la musique aujourd'hui (1964) of Relevés d'apprenti (1966). Hij was een pionier van het gebruik van elektronica in de muziek, en experimenteerde met aleatorische muziek (waarin het toeval een rol speelt); maar hij ging daarbij niet zo ver als sommige Amerikaanse componisten als John Cage.

In 1974 keerde hij terug naar Frankrijk om op verzoek van president Georges Pompidou het door Pompidou in 1970 opgerichte Institut de Recherche et de Coordination Acoustique/Musique (IRCAM) te leiden. In 1976 richtte Boulez het Ensemble InterContemporain op, een ensemble voor het uitvoeren van moderne muziek waarvan de bezetting naargelang het uit te voeren werk sterk varieert.

Vanaf de jaren zestig werd hij meer en meer actief als dirigent, en liep zijn productie van composities stilaan terug. Hij dirigeerde de Franse première van de opera Wozzeck van Alban Berg in 1963. Hij was muzikaal directeur van de New York Philharmonic (1971-1977). In 1976 dirigeerde hij de Ring van Richard Wagner te bij het honderjarige Bayreuther Festspiele, een roemruchte productie samen met de Franse filmregisseur Patrice Chéreau.

In 1991 trok Boulez zich terug als dirigent van het Ensemble, en onlangs legde hij zijn administratieve taken bij IRCAM neer. Hij is nog wel op artistiek/creatief vlak betrokken bij beide instellingen.

Boulez heeft zijn theorieën opgeschreven in het briljante Orientations (Harvard University Press). Tot zijn bekendste composities horen Pli selon Pli, Le Marteau sans Maître en explosante-fixe, dat vorig jaar in het Holland Festival werd gespeeld.

 

Patrice Chéreau

Een groot publiek zal de Franse regisseur Patrice Chéreau (Lézigné, Frankrijk 1944) kennen door zijn films Ceux qui m’aiment prendront le train uit 1998 (Gouden Palm in Cannes), en Intimacy uit 2001 (Gouden Beer in Berlijn). In Nederland is veel minder bekend dat Chéreau een enorme staat van dienst heeft als theater- en operaregisseur. Reeds als 19-jarige ensceneerde hij zijn eerste professionele toneelstuk. In 1966, aan de vooravond van de studentenoproeren van 1968, wordt de 22-jarige Chéreau directeur van het theater van Sartrouville waar hij zich toelegde op politiek theater. Na het faillissement in 1969 vertrok Chéreau naar Italië, waar hij zich aansloot bij het Piccolo Teatro in Milaan, met Paolo Grassi en Giorgio Strehler. Terug in Frankrijk leidde hij van 1971 tot 1977 het Théâtre National Populaire in Lyon-Villeurbanne.

In 1974 maakte hij zijn eerste film, La Chair de l’Orchidée. Zijn tweede film was Judith Therpauve, met Simone Signoret in de titelrol.

Het verzoek van Pierre Boulez om een enscenering te maken voor Wagner’s Der Ring des Nibelungen in 1976 was voor Chéreau een uitzonderlijke ervaring. Van 1982 tot 1990 was Chéreau directeur van het Théâtre des Amandiers in Nanterre. In zijn regies wisselde hij de klassieke auteurs af met de hedendaagse, en speelde met evenveel verve werken van Marivaux als Koltès. In 1983 realiseerde hij zijn meest persoonlijke film, L’Homme Blessé, een film over een homosexuele liefde die in Cannes veel ophef veroorzaakte maar desondanks de César voor Beste Scenario won. Na zijn vertrek uit Nanterre wijdde Chéreau zich een aantal jaren volledig aan de opera, en deed de regies voor ondermeer Wozzeck in 1993 en Don Giovanni in 1994. Tezelfdertijd werkte hij aan zijn film La ReineMargot, naar Alexandre Dumas, die in 1994 de juryprijs in Cannes won. Na de laatste jaren overwegend in de filmwereld gewerkt te hebben keert Chéreau met From the House of the Dead terug naar zijn liefde voor opera, een kunstvorm die hij uitoefent met hetzelfde oog voor detail dat zo gewaardeerd wordt in zijn films. De uitnodiging voor deze regie sloot bovendien aan bij een monoloog die Chéreau in 2000 als acteur voor het voetlicht bracht: Aantekeningen uit het ondergrondse van Fjodor Dostojevski.

Sinds 1969 werkt hij voor het decor uitsluitend met architect/schilder Richard Peduzzi. 

 

Richard Peduzzi

De Franse scenograaf en auteur Richard Peduzzi (Argentan, Frankrijk 1943) werkte als schilder toen hij Chéreau ontmoette in 1967. Sindsdien hebben zij een dusdanig sterke artistieke band met elkaar opgebouwd dat tegenwoordig gesproken wordt van de stijl Chéreau-Peduzzi.  Samen hebben zij veel werk van toneelauteur Bernard-Marie Koltès geënsceneerd. Peduzzi was één van de eersten die het belang van het decor in de podiumkunsten benadrukte. Hij betoogt dat dit aspect van een voorstelling niet te scheiden is van de regie of mise-en-scène.

Zijn werk wordt gekarakteriseerd door het gebruik van imposante, verticale structuren zoals wolkenkrabbers en immense zuilen. Deze hoge massa symboliseert de dreiging die boven de personages hangt, is als het ware de verbeelding van een sombere lotsbestemming. Peduzzi is ervan overtuigd dat zowel op het podium als daarbuiten een ruimte net zo kan communiceren als taal.

Peduzzi was verder de (binnenhuis)architect van diverse zalen in het Musée d’Orsay en het Louvre in Parijs. Van 1990 tot 2002 was hij directeur van de l’Ecole Nationale Supérieure des Arts décoratifs (ENSAD). In 2002 werd hij benoemd tot directeur van de l’Académie de France in Rome.

 

Mahler Chamber Orchestra

Het Mahler Chamber Orchestra is opgericht in 1997 door dirigent Claudio Abbado en ex-leden van het Gustav Mahler Jugend Orchester, die na het bereiken van de leeftijdsgrens voor dat orkest wilden blijven samenspelen. Het orkest bestaat uit 48 leden met zeventien verschillende, overwegend Europese, nationaliteiten. De combinatie van artistieke nieuwsgierigheid en kennis van een zo breed mogelijk repertoire hebben het ambitieuze ensemble op een zeer hoog muzikaal niveau gebracht.

Het repertoire reikt van Barok tot hedendaagse muziek en bevat alles tussen kamermuziek en symfonische programmering. Projecten met specialisten in een bepaalde techniek of repertoire maken een belangrijk deel van het programma uit en bevestigen de reputatie van het veelzijdige orkest.

Het Mahler Chamber Orchestra brak internationaal door in 1998 met Mozart’s opera Don Giovanni onder directie van Claudio Abbado en Daniel Harding op het Festival International d’Art Lyrique d’Aix-en-Provence in Frankrijk. De wereldtournee bracht niet alleen internationale roem, maar ook een residentieel contract met het festival in Aix-en-Provence. Sindsdien heeft het orkest gewerkt aan menig succesvol project in Aix, te weten The Turn of the Screw (Daniel Harding/Luc Bondy, 2001), Eugen Onegin (Daniel Harding/Irina Brook), Die Liebe zu den drei Orangen (Tugan Sokhiev/Philippe Calvario, 2004) and Così fan tutte (Daniel Harding/Patrice Chéreau, 2005).

Sinds 2003 is Daniel Harding muzikaal directeur.

 

 

Arnold Schoenberg Chor

Het Arnold Schoenberg Chor werd in 1972 opgericht met vocalisten afkomstig van het Weense Conservatorium. Het koor werkte ruim twintig jaar met Nikolaus Harnoncourt en ook met vermaarde dirigenten als Claudio Abbado, Riccardo Muti en Lorin Maazel. Het koor treedt in heel Europa op, onder meer op de Wiener Festwochen en de Salzburger Festspiele.

Het koor heeft een zeer uiteenlopend repertoire. Van Renaissance tot hedendaagse muziek, van a capella tot grote orkestrale werken en opera, in het 35-jarig bestaan van het koor zijn alle registers verkend en met succes uitgevoerd.

Het koor bestaat uit zangers die ofwel nog studeren aan de Wiener Universität für Musik und darstellende Kunst ofwel daar al afgestudeerd zijn. Erwin Ortner is sinds de oprichting in 1972 artistiek directeur. Ortner was ooit één van de Wiener Sängerknaben; zijn grote liefde voor koormuziek blijkt uit zijn uitgebreide carrière als professor en dirigent.

De bekendste producties zijn Schubert's Fierrabras bij de Wiener Opera, Messiaen's Saint Francois d'Assise op het Festival van Salzburg en video-opnames van drie Mozart opera’s met regisseur Peter Sellars.

CREDITS

libretto
Leoš Janácek naar Fjodor Dostojevski
muzikale leiding
Pierre Boulez
regie
Patrice Chéreau
artistiek medewerker
Thierry Thieû Niang
scenografie
Richard Peduzzi
kostuums
Caroline de Vivaise
licht
Bertrand Couderc
uitvoering
Mahler Chamber Orchestra en Arnold Schoenberg Chor
dirigent Mahler Chamber Orchestra
Erwin Ortner
dirigent Arnold Schoenberg Chor
Jordi Casals
rolverdeling
Alexander Petrovitsch Gorjantschikov
Olaf Bär
Aljeja, een jonge Tataar
Erik Stokloßa
Filka Morozov, bekend als Luka Kuzmitsch
Stefan Margita
De grote gevangene
Peter Straka
De kleine gevangene
Vladimir Chmelo
De garnizoenscommandant
Jiri Sulzenko
De zeer oude gevangene
Heinz Zednik
Skuratov
John Mark Ainsley
Tschekunov
Jan Galla
De dronken gevangene
Tomas Krejcirik
De kok
Martin Bárta
De geestelijke
Vratislav Kriz
De jonge gevangene
Olivier Dumait
Prostituee
Susannah Haberfeld
Ales Jenis
Een gevangene in de rol van Don Juan en Brahmine
Kedril
Marian Pavlovic
Schapkin
Peter Hoare
Schischkov
Gerd Grochowski
Tscherevin
Andreas Conrad
Stem achter de scène
Olivier Dumait
acteurs
Thomas Bäuml, Helmut Gebeshuber, Rainer Maria Gradischnig, Dominik Grünbühel, Karl Hoess, Elsayed Kandil, Viktor Krenn, Günther Matzka, Max Mayerhofer, Kurt Raubal, Michael Reardon, Alexander Strauss, Florian Tröbinger, Darko Vukovic
drummer
Michael Draskovits
koorleden
Alexander Arbeiter, Christian Bammer, Istvan Ba, Akos Banlaky, Rumen Dobrev, Jörg Espenkott, Martin-Jacques Garand, Hans-Jörg Gaugelhofer, Roland Girardi, Peter Goldner, Peter Haigermoser, Gebhard Heeghmann, Christian Kostal, Martin Hulan, Raimund Klebel, Peter Kövari, Georg Kreuzbauer, Michal Kucharko, Tomasz Kufta, Alexander Linner, Daniel Mair, Nenad Marinkovic, Clemens Mondolfo, Thomas Palfner, Vladimir Prado, Johannes Puchegger, Victor Saxinger, Willi Spuller, Andreas Werner, Christoph Wutti, Christian Zehetner, Jürgen Zwick
figuranten
Georg Grunsky, Anita Evanzin, Claudia Haber, Iwona Sakowicz, Daniela Sonntag
From the House of the Dead
is een co-productie van het Holland Festival met de Wiener Festwochen, Festival d’Aix-en-Provence, de Metropolitan Opera in New York en Teatro alla Scala in Milaan. Met steun van HGIS-Cultuurprogramma.
De opening van het Holland Festival wordt mede mogelijk gemaakt door Euronext N.V.