Schönberg Gurre-Lieder

Radio Filharmonisch Orkest, Radio Symfonie Orkest, Groot Omroepkoor, Praags Mannenkoor

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Het is een feit dat met name de jonge romantische componisten aan het einde van de 19e eeuw en begin 20e eeuw, de verleiding dikwijls niet konden weerstaan te schrijven voor buitensporige grote uitvoeringsapparaten, waarbij dikwijls de grenzen van het uitvoerbare werden overschreden. Alleen een genie, en wie zou dat bij Schönberg niet willen beweren, was in staat het overzicht te bewaren om zo te komen tot een uniek, onovertroffen meesterwerk; de Gurre-Lieder zijn daarvan het bewijs.

Achtergrondinformatie

Het compositorisch uitgangspunt in de Gurre-Lieder is gebaseerd op de techniek van 'Leitmotiv-verwerking. Het geheel wordt op een ingenieuze manier gevarieerd en contrapuntisch verwerkt. Ofschoon de thematiek Wagner tot voorbeeld heeft, wijzen alleen al de grote intervalsprongen in de zangstemmen duidelijk op een schrijfwijze, die Schönberg pas later veelvuldig ging toepassen. Ook in zijn harmonische aanpak is hij dikwijls gedurfder dan zijn tijdgenoten. Op zijn minst opmerkelijk is, dat naast de grote massale klankexplosies, op diverse momenten - vooral in de liederen
van Tove en in het lied van de woudduif - een tedere, kamermuziekachtige klankwerking optreedt die aan het werk een heel aparte kleur en klankatmosfeer geeft. Naast de rijke dramatische passages waar de 'Leitmotiv'-techniek in een grote vindingrijke variatietechniek ontwikkeld wordt, staan gedeelten met een verhalend karakter, waarin voorafgaande situaties in een soort symfonische doorwerking worden verwerkt. Duidelijk is een dergelijke schrijfwijze te horen in het slot' van het eerste deel met het verhalende en op gebeurtenissen terugblikkende lied van de woudduif.
Met de Gurre-Lieder heeft Schönberg definitief afscheid genomen van het rijke, door
Liszt en Wagner geïntroduceerde, en door Mahler en Richard Strauss tot een uiterste ontplooiing gebrachte klankidioom van de laatromantiek. Zich volledig bewust van wat hij als zijn artistieke verantwoordelijkheid zag, sloeg hij hierna andere wegen in, op zoek naar een nieuwe klankwereld.

Biografie

Arnold Schönberg was de zoon van een eenvoudige koopman in tweedehands goederen; men kon het hoofd boven water houden, meer niet. Muziekinstrumenten waren er niet totdat in de handelsvoorraad van vader een oude, maar waarschijnlijk niet zeer waardevolle, viool terecht kwam. Arnold leerde zichzelf viool spelen, waarbij de straatviolisten uit Wenen van die tijd zijn grote voorbeelden waren. Het is opmerkelijk dat Schönberg geheel autodidact was; slechts van zijn toekomstige zwager Zemlinsky kreeg hij wat contrapuntlessen. In 1895 werd de bank van Schönbergs werkgever failliet verklaard en besloot hij musicus te worden. Hij was toen 21 jaar, had nog nooit muziekles gehad - de lessen van Zemlinsky moesten toen nog volgen - en voorzag in zijn onderhoud door het kopiëren van operettemuziek en het maken van arrangementen.
Zijn belangstelling ging echter uit naar de grote meesters uit die tijd: Gustav Mahler, Richard Strauss en Richard Wagner. Zijn eerste eigen werk stamt uit het jaar 1897. Vier jaar later trouwde hij met Mathilde von Zemlinsky en nog in datzelfde jaar werd hij door bemiddeling van Richard Strauss benoemd tot compositieleraar aan het Stern Conservatorium in Berlijn. In 1903 keerde Schönberg naar Wenen terug, werkte daar als componist, leraar, dirigent en begon te schilderen (de meeste van zijn ca. 75 bewaard gebleven schilderijen ontstonden in die periode). Het was ook de tijd waarin de later zo bekende Weense school zich rondom hem vormde, met o.a. Alban Berg en Anton Webern. Daarnaast had Schönberg zich (sedert zijn Harmonielehre - 'Dieses Buch hab' ich van meinen Schülern gelernt' 1908) ontpopt als een vaardig schrijver over muziektheoretische en -esthetische onderwerpen. Van groot belang was de oprichting van de 'Verein für musikalische Privataufführungen' in Wenen, waar Schönberg en zijn leerlingen naar hartenlust konden experimenteren; zo werd door Hauer en Schönberg hier de 'Komposition mit zwölf Tönen' ontwikkeld, de twaalftoonsmuziek die later zou leiden tot de seriële muziek. Na de machtsovername door de nationaal-socialisten in 1933 werd Schönbergs positie in Berlijn onhoudbaar en vertrok hij naar New York, waar hij een jaar later hoogleraar werd aan de University of California in Los Angeles. Op 11 april 1941 werd Schönberg Amerikaans staatsburger. Voor politieke en met name Joods-politieke problemen begon Schönberg zich in die jaren, hoe kan het ook anders, bijzonder te interesseren. Uiteindelijk keerde hij weer terug tot het hem vertrouwde orthodoxe geloof dat hij op 18-jarige leeftijd had afgezworen.

CREDITS

dirigent
Sergiu Commissiona
solisten
June Card (sopraan), Mira Zakai (alt), David Arnold (tenor), William Cochran (tenor), Stefan Dahlberg, Lieuwe Visser (spreekstem)
co-productie
AVRO-radio, Holland Festival, Tros-radio
uitvoering
Radio Filharmonisch Orkest, Radio Symfonie Orkest, Groot Omroepkoor, Praags Mannenkoor