Gala van de Nieuwe Nederlandse Muziek II

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Dertien composities – waaronder twee wereldpremières – vormen de bestanddelen voor deze tweede aflevering van het Gala van de Nieuwe Nederlandse Muziek. Werd vorig jaar nog volstaan met de presentatie van zes werken tijdens één avond in de Grote Zaal van dit Concertgebouw, ditmaal hebben de in dit project samenwerkende organisaties (Holland Festival, Donemus, Musica ’85, VPRO en het Concertgebouw NV) gekozen voor drie volledige programma’s, verdeeld over twee avonden in de Grote en Kleine Zaal. De belangstelling van de media is minstens even groot als vorig jaar: vrijwel iedere uitvoering zal dit weekeinde via radio en/of televisie te volgen zijn.

Programma

Kleine Zaal
(rechtstreekse uitzending VPRO-radio)

 

Misha Mengelberg - Scenes uit het Leven van Rokus de Veldmuis
Deel I: Roestige blikjes
Deel II: Een hutje van gras
Hoketus
Wereldpremière

 

Theo Loevendie - Flexio
Rotterdams Philharmonisch Orkest, James Conlon (dirigent)

 

Guus Janssen - Temet
Gijsbrecht van Aemstelkwartet

 

Jan van Vlijmen - Faithful
Nobuko Imai (altviool)

 

 

Grote Zaal
(rechtstreekse uitzending VPRO-radio en tv)

 
Hans Cox - Vioolconcert no. 2
Rotterdams Philharmonisch Orkest, James Conlon (dirigent), Viktor Liberman (viool)


Otto Ketting - Monumentum
Rotterdams Conservatorium Orkest, Otto Ketting (dirigent)

 

Louis Andriessen - De Stijl
Hoketus / De Volharding, Reinbert de Leeuw (dirigent)

Biografieën

Gezien het aanzienlijke aantal vioolconcerten dat de laatste jaren van de hand van Nederlandse componisten is verschenen lag het voor de hand dat werk uit dit genre in de Gala-programmering van dit jaar niet mocht ontbreken. De keuze is gevallen op het Tweede vioolconcert (1978/81) van Hans Kox (geboren 1930) dat in deze uitvoering nog niet in Amsterdam te horen was. De première destijds in Rotterdam werd met veel succes ontvangen. Aangezien de componist geen prijs stelt op het leveren van eigen toelichtingen zij hier geciteerd uit het bij die gelegenheid verschenen programmaboekje: "Wat alle composities van Kox met elkaar gemeen hebben is het muzikanteske. Een moeilijk te omschrijven kwaliteit. Het heeft evenwel alles van doen met een hoge graad van ambachtelijkheid, gekoppeld aan een al even grote mate van spontaniteit. Kox is daarbij géén man die behoefte heeft aan uitvoerige ontboezemingen, de technische kant van zijn muziek betreffende. Alles wat hij te melden heeft is in klank voorhanden: “Music opens to man an unknown world, in which he leaves behind all ordinary feeling to surrender himself to an inexpressible longing”, aldus het motto van zijn in 1978 in eerste aanzet voltooide maar in 1981 herziende Tweede Vioolconcert. Kox streeft in dit werk naar een sterk van het genre concert afwijkende bezetting (naast twee hobo's en twee hoorns alleen strijkers). Een belangrijke eigenschap is dat solist en orkest voortdurend samen aan het 'woord' zijn, afgezien van de solocadens voor het laatste deel.

 

Met Flexio (1979) - vorig jaar bekroond met de Amerikaanse Koussevitzky Award die componist Theo Loevendie (geboren 1930) deelde met Pierre Boulez - keren we terug naar het symfonie-orkest in normale bezetting. Flexio werd geschreven voor het 90-jarig bestaan van het Concertgebouworkest (dat het werk na enige verwikkelingen rond de première niet meer op het programma heeft genomen) en opgedragen aan de nagedachtenis van de componist Matthijs Vermeulen (1888-1967).

Het is tevens het eerste werk waarin Loevendie de zogeheten 'curven'-techniek heeft toegepast waarop ook de in dit Holland Festival met veel succes gepresenteerde opera 'Naima' is gebaseerd. Beter dan met een technische verhandeling over deze techniek (men leze daarvoor Key Notes nr.14 uit 1981) is de concertbezoeker van vanavond gebaat met enkele 'luistertips' van de componist zelf:
“1. Het werk begint met een omhoogschietende figuur die in de 18e eeuw 'raket' werd genoemd; door herhaling er van aan het begin van elk onderdeel kunnen in deze compositie duidelijk drie delen onderscheiden worden.
2. In Flexio voltrekken zich allerlei processen zoals: inkrimpen, uitzetten, verdunnen, verstarren, verkleuren, uiteenvallen, etc. Deze een nogal abstracte muziek suggererende processen zijn in principe met het oor te volgen, het makkelijkst in het drie minuten durende eerste deel, waarin alle intervallen in steeds minder massale klankblokken steeds kleiner worden tot één toon bereikt is. Hierdoorheen loopt een fragmentarische melodische lijn (beginnend in contrabassen en tuba) waarvan de intervallen steeds groter worden, hetgeen uitmondt in wat in het tweede deel gebeurt.
3. In het tweede deel spelen zich verschillend proces sen tegelijk af. U kunt dus kiezen. Laat u dan niet afleiden door een bekende dansvorm die opduikt; dat is maar schijn, de processen gaan gewoon door, de muziek is daar niet wat ze lijkt te zijn.
4. U kunt juist wél inhoudelijk en anekdotisch luisteren en merken dat de abstracte processen concrete muzikale verschijnselen niet in de weg staan: motoriek, octaven­ passages, bovengenoemde dansvorm en koperfanfares passeren dan de revue.
5. U kunt dit alles vergeten en de muziek gewoon over u heen laten komen. Een uitstekend idee."

 

Guus Janssen (geboren 1951) werd met zijn voor het Gijsbrecht van Aemstelkwartet in 1983 geschreven Temet vorig jaar onderscheiden met de Matthijs Vermeulenprijs. De bezetting van het kwartet (fluit, viool, cello en harp) lag uiteraard vast, en het was vooral het laatstgenoemde instrument dat Guus Janssen aanvankelijk hoofdbrekens bezorgde. "De harp heeft een zeer dominerende, uitgesproken esthetische aanwezigheid. Haar gestiek is volledig bepaald door de manier waarop zij in de klassieke muziek gebruikt wordt. Zij trekt alles naar zich toe, je kunt haar niet 'lelijk' laten bespelen. Dat was voor mij een obstakel omdat ik de harp in mijn compositorisch gareel wilde dwingen en niet mijzelf door háár de dienst wilde laten uitmaken". Dit 'ontesthetiseren' van de harp bereikte Janssen door één van de snaren een kwarttoon te hoog te laten stemmen;
het gevolg was nét geen octaaf, of - in de taal van de geboortestreek van de componist - een 1 temet 1 -octaaf. Dit 'valse' octaaf werd samen met de kwarttoon en enkele ongebruikelijke speeltechnieken (het kletteren van een snaar tegen de stempin van de harp en het gebruik van speciale flageoletten) het basismateriaal voor de uiteindelijke compositie.

 

Faithful (1984) voor altviool solo werd op verzoek van de Japanse altvioliste Nobuko Imai in opdracht van de Johan Wagenaar Stichting gecomponeerd door Jan van Vlijmen (geboren 1935). Faithful is de Engelse vertaling van de voornaam van de soliste, die het werk vorig jaar ten doop hield en er uitvoeringen van gaf in Rolduc (Limburg), Cheltenham (Engeland) en Tokyo.
Faithful bestaat uit een proloog (een 'lamento'­ achtig thema) en 28 variaties die zonder onderbreking in elkaar overgaan. Al luisterend zal het stuk worden ondergaan als een lange - weliswaar grillige - doorgaande lijn, en men zal niet altijd in staat zijn om de soms subtiele verschillen per onderdeeltje te onderscheiden.

 

Monumentum (1983) werd door Otto Ketting (geboren 1935) geschreven voor het afscheid van Kees Stolwijk als directeur van het Rotterdams Conservatorium; de bezetting omvat koperblazers, piano en vier slagwerkers. Een recensent schreef naar aanleiding van een uitvoering eerder dit jaar: "Ik aarzel niet dit werk monumentaal te noemen, een van Kettings gaafste composities voor een medium dat hij als geen ander beheerst. (...) Het heeft een tijdsduur van tien minuten en dat zonder één enkele inzinking. Monumentum is gebaseerd op scherpe, helle klanken zoals een herhaald hoog gelegen octaaf in de piano. Pas later (tuba) wordt naar de laagte toegewerkt.
Al die fanfare-achtige aanlopen smoren in uitwaaierende mengklanken, (...)een quasi-rituele processie die steeds weer stolt. Aanzwellende en afebbende groepen in alternerende zin (hoorns-trompetten-hoorns enz.) voeren de spanning op een meer gewone wijze op, waarna - en dat is dan weer hoogst ongewoon - een jubelende extase losbarst als in Stravinsky's Danse Russe; met name de hoorns gillen het uit. De laatste maten brengen nog een reminiscentie aan het begin".

 

Precies een week geleden beleefde de Stijl (1985) van Louis Andriessen (geboren 1939) zijn wereldpremière tijdens een concert gegeven door een nieuw ensemble
dat is voortgekomen uit de combinatie van De Volharding en Hoketus: Kaalslag. En vanavond dient de Stijl als slotstuk van het Gala van de Nieuwe Nederlandse Muziek 1985.
Louis Andriessen over zijn nieuwste werk: "Het begon met een idee in het zicht van de ontwikkeling van de muziekpolitiek: de oprichting van een permanent Orkest van de Eenentwintigste Eeuw. Maar dat bleek geen haalbare kaart, gezien de huidige situatie in het Nederlandse muziekbestel. Zo'n plan is natuurlijk aardig, maar het moet wel een surplus aan nieuwe elementen bevatten om als 'nieuw' te kunnen worden bestempeld. Er lag bijvoorbeeld het probleem van de strijkers. Hoe los je dat op? De Volharding en Hoketus zijn ensembles zonder strijkers, maar de polemiek met de symfonieorkesten kun je op cultuurpolitiek niveau alleen aangaan als je iets doet met strijkers, vind ik. Ik bedacht me, dat ik wel een stuk in mijn hoofd had voor een bezetting van ruwweg De Volharding plus Hoketus. Een big band met veel koper en elektronica. Zonder strijkers maar met zangeressen. Namelijk: De Stijl, een stuk over de schilder Mondriaan. Dat had ik al een tijdlang in mijn hoofd als het derde deel van een cyclus; een vierdelig avondvullend muziektheaterstuk getiteld De Materie.
Dat project kan, denk ik, over drie jaar het podium op. Ik neem een jaar voor elk deel. Het gaat over materie, stof, de basis van alles - nee, meer nog over de verhouding van de geest tot de materie. Elk deel ongeveer een half uur, het wordt heel rechthoekig.
De Stijl is daarin waarschijnlijk het minst 'zware' stuk. Het eerste deel moet De Wetenschap gaan heten.
Dat stuk wordt waarschijnlijk geconcentreerd rond een verdedigingsmonoloog van een wetenschapper versus de Staat, of de Kerk, of een Rechtbank. Het tweede deel - voor een groot ensemble met instrumenten die in De Stijl juist zijn uitgespaard, zoals klarinetten en strijkers - gaat over het elfde visioen van Hadewych, waarin erotiek en religiositeit in elkaar lijken op te gaan. Ook een verhouding van geest tot materie. Het vierde deel heet De Muziek. Dat wordt een continu tutti van lange noten met een luide, apotheotische klank. Muziek, hoop ik dan, to end all music".

CREDITS

muziek
Misha Mengelberg, Theo Loevendie, Guus Janssen, Jan van Vlijmen, Hans Cox, Otto Ketting, Louis Andriessen
presentatie
Ad 's-Gravesande en Sieuwert Verster
televisieregie
Leen Timp
productie
Ernst Verster, Kees Hillen, Ine Waltuch
co-productie
Holland Festival, VPRO, Donemus, Musica ‘85, Concertgebouw
uitvoering
Hoketus, Rotterdams Philharmonisch Orkest, James Conlon (dirigent), Gijsbrecht van Aemstelkwartet, Nobuko Imai (altviool), Viktor Liberman (viool), Rotterdams Conservatorium Orkest, Otto Ketting (dirigent), Hoketus / De Volharding, Reinbert de Leeuw (dirigent), Eleonore Pameijer (fluit, piccolo, basfluit), Jan Erik van Regteren Altena (viool), Eduard van Regteren Altena (cello), Ernestine Stoop (harp)