Pianotrio's

Mozart, Ives, Brahms

Hephzibah Menuhin, Alberto Lysy, Colin Carr

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Gedurende de laatste eeuwen heeft een aanzienlijke opinieverandering plaatsgevonden van de componist tegenover zijn publiek of beter het publiek. De Renaissance-componist schreef gebruiksmuziek voor het hof of de kerk, direct naar de eisen van de tijd. Langzaam werden daarin veranderingen aangebracht, meestal voorafgegaan, begeleid of gevolgd door diepgaande theoretische traktaten. De gestelde normen konden natuurlijk veranderen, zoals ook het publiek veranderde van hof-elite en rijke handelsburgerij naar het middenstand en de ‘gewone’ geïnteresseerde man. Tot de Franse revolutie, dus tot rond Mozarts dood, bleef het beeld van de kleine cultuur minnende en – dragende elite echter bestaan. Als Mozart niet voor zichzelf componeerde, dus voor de abonnementsconcerten in Wenen of de huismuziek met vrienden, dan was óf de kerk (tot 1781 Aartsbisschop Colloredo in Salzburg) of de Weense adel zijn opdrachtgever; aan hun wensen moest hij voldoen, zonder zijn eigen muzikale uitdrukkingskunst te negeren.

Programma

Wolfgang Amadeus Mozart – Trio in E gr.t., KV 542 (1788)

Allegro

Andante grazioso

Finale: Allegro

Voor piano, viool en violoncel

 

Charles Ives – Trio (1904-1911)

Andante moderato

Tsiaj: Presto

Moderato con moto

Voor piano, viool en violoncel

 

Pauze

 

Johannes Brahms – Trio in c kl. t., op. 101 (1886)

Allegro energico

Presto non assai

Andante grazioso

Allegro molto

Voor piano, viool en violoncel

Achtergrondinformatie

Na de Franse revolutie veranderde deze situatie enigszins; de burgerij deelde mee in de cultuur en had haar normen en wensen. De volksliederen gingen een grote rol spelen, evenals de eenvoudige liedachtige melodie. Dit merken we al bij de componisten aan het Napoleontische hof, maar ook bij Beethoven en Schubert. Zij hielden hier bewust rekening mee en danken daaraan hun nog steeds voortdurende populariteit. Brahms ging al weer wat gekunstelder en eigenzinniger te werk. Zijn publiek bestond niet per se uit alle muziekminnende; ook de Familie Strauss en Bruckner en de groep rond Wagner en Liszt hadden een eigen publiek. De componist ging steeds meer zijn eigen weg en hield alleen nog rekening met zijn eigen impulsen, hoewel niet blind voor het publiek en de verkoop van zijn muziek. Immers Brahms kon zich zonder moeite leven van de verkoop van zijn composities en gaf met de jaren minder concerten. Maar de weg die hij zocht bleef dan ook vastgeknoopt aan een traditie sedert de grote klassieken. Voor het doorbreken van deze traditie waren andere premisses nodig: een doodlopende weg, de confrontatie met andere culturen of eenvoudig geen traditie. Het eerste overkwam o.a. Schönberg, het tweede Debussy en in zeker mate ook Bartók, terwijl het derde geval de unieke muziek van Charles Ives opleverde. Dat wil geenszins zeggen dat Ives geen traditie gekend heeft of acultureel was opgevoed; integendeel! Zijn eerste symfonie sluit onmiddellijk aan bij Brahms. Maar de traditie was voor hem geen juk op zijn schouders. Zijn vader had hem al geleerd creatief te luisteren naar alle geluiden om hem heen, de fanfares, de claxons, de natuur, etc. Hierdoor ontwikkelde hij een aantal ongekende mogelijkheden voor het componeren, w.o. aleatoriek en polytonaliteit. Aleatoriek was geen uitvinding van Ives, maar de logische realisering van een toevallige realiteit wanneer verschillende geluidsbronnen zich vrij ten opzicht van elkaar blijken te bewegen. En polytonaliteit is eveneens een realiteit; voor Ives door bijvoorbeeld verschillende fanfare orkesten die elkaar op straat ontmoeten, terwijl ieder zijn eigen muziek blijft spelen.

Hier komt nog bij dat Ives zich dat kon permitteren, omdat hij zich niets van enig publiek aantrok en zijn geld verdiende als directeur van een verzekeringsmaatschappij. Voor hem was het publiek geen noodzaak, maar een uiteindelijke mogelijkheid. Enkele voorbeelden van Ives’ eigenzinnige compositietrant vinden we in het Pianotrio (1904-1911); hier treffen we klanken aan die tot na 1945 ondenkbaar waren. Maar de band met de realiteit blijft bestaan, vooral in het Scherzo TSIAJ (This Scherzo Is A Joke; a poor Joke vulde Ives later aan!); vooral de tweede titel Medley on the Campus Fance geeft aan dat het hele arsenaal studentenliederen uit Ives’ studietijd in Yale erin verwerkt is. Marsen, Dixieland en quasireligieuze melodieën wisselen elkaar in bonte kleuren af, vaak met de meest vreemde harmonisaties, waardoor de indruk wordt gewekt dat je gewoon even voorbij loopt, langs open ramen waar van alles gezongen wordt. Ives heeft dit gehoord en in weerbarstig graniet gezet; de geïnteresseerde luisteraar is nu, anno 1976, nog nauwelijks in staat de complexiteit van dit graniet te doorzien en naar waarde te schatten. Hierdoor is de muziek van Charles Ives in veel opzichten uniek, als technische prestatie, als klankwerk en in de keuze van haar publiek, dat zeer selectief is en naarstig op uitbreiding wacht. 

CREDITS

muziek
Wolfgang Amadeus Mozart, Charles Ives, Johannes Brahms
piano
Hephzibah Menuhin
viool
Alberto Lysy
cello
Colin Carr