Haydn, Torelli, R. Strauss, Barber, Gershwin

Rotterdams Philharmonisch Orkest

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Programma

Joseph Haydn – Symfonie nr. 39 in G (1769)

Allegro assai

Andante

Menuetto

Finale: allegro molto

 

Giuseppe Torelli – Sinfonia in D

Allegro

Adagio

Allegro

Allegro

Voor trompet, strijkorkest en basso continuo

 

Richard Strauss – Till Eulenspiegel luistige Streiche Opus 28 (1895)

 

Pauze

 

Samuel Barber – Knoxville: Summer of 1915, opus 24 (1947)

Voor sopraan en orkest

 

George Gershwin – Uit Porgy and Bess: ‘Summertime’, ‘My man’s gone now’ (1934/35)

 

George Gershwin – An American in Paris (1928)

Achtergrondinformatie

Symfonie nr. 39 in G

De in de Gesamtausgabe van Breitkopf und Härtel onder Nr. 39 gepubliceerde Symfonie in g van Joseph Haydn werd gecomponeerd in het jaar 1769. Zij valt dus nog juist onder het veertigtal symfonieën, dat tot Haydns eerste scheppingsperiode als symfonicus gerekend wordt. Haydn was in 1761 in dienst getreden als kapelmeester bij Paul Anton von Esterházy te Eisenstadt. Hij trof daar een kapel aan van 16 musici, doch dit aantal werd geleidelijk uitgebreid, vooral toen Paul Anton werd opgevolgd door Nicolaus Esterházy, die een groot en ook actief muziekliefhebber was.

Haydns symfonieën vóór 1770 waren nog voor een bescheiden bezetting gecomponeerd. De bezetting van de g-moll Symfonie bestaat, naast het strijkorkest, uit twee hobo’s en twee hoorns. In Haydns latere symfonieën worden de blaasinstrumenten uitgebreid met fluiten en fagotten en deze blaasinstrumenten zullen dan in de thematische verwerking een zeer belangrijke rol gaan spelen. In de symfonie nr. 39 dienen de beide hoorns hoofdzakelijk om de harmonie op een eenvoudige wijze aan te vullen. De hobo’s bezitten reeds meer melodische betekenis. In de finale bijvoorbeeld voeren zij meermalen de melodie, terwijl de strijkers passagespel ten gehore brengen. In het Trio van het Menuet treden blazers wat zelfstandiger naar voren.

De vroege symfonieën van Haydn dragen een karakter, dat nog dicht bij het Divertimento staat. De componist legde in die tijd een voorkeur aan de dag voor het programmatische effecten in zijn symfonieën o.a. in De Daggetijden (Le Matin, Le Midi, Le Soir), in de symfonie Mit dem Hornsignal, de Weihnachtssymphonie (ook Lamentatione genoemd) en de Alleluja-Symphonie. De Symfonie in g toont echter geen enkele programmatische bedoeling. Het eerste deel is geschreven in een beknopte hoofdvorm, waarin nog geen geprononceerd tweede thema optreedt. De korte doorwerking bevat enige interessante modulaties. In het Andante komen alleen de strijkers aan het woord.

Deze symfonie vormt een belangrijke schakel in Haydns ontwikkeling als symfonicus. Zij wordt een zelfstandig muzikaal spel, dat door Haydn met grote natuurlijkheid bedreven wordt en waarin hij bij alle kunstvaardigheid in wezen toch ongekunsteld weet te blijven.

 

Till Eulenspiegels lustige Streiche

Er was eens een schelm… zo begint de proloog van Till Eulenspiegels lustige Streiche, nach alter Schelmenweise in Rondeauform für grosses Orchester.

Na vijf maten inleiding brengt de solohoornist het beroemde syncopische Till-thema. Een ander belangrijk schelmenmotief is de versnelling van de langzame beginnoten, door de brutale hoge d-klarinet.

We maken verschillende scènes uit het prentenboekje van Till’s bonte leven mee: de Maskerade, het ezeltje rijden door een pottenbakkerskraam, zijn rede voor de professoren, de zalvende preek van Till, vermomd als pastoor, zijn hopeloze liefde voor een onschuldige schone. Hij rolt van de ene tumultueuze gebeurtenis in de andere, totdat hieraan abrupt een einde komt: hij heeft God gelasterd, het gerecht is ernstig en dreigend. Till fluit er onverschillig bij, het was immers niet serieus bedoeld. Maar het oordeel luidt: de dood. Till sterft aan de galg. In de epiloog vertelt het orkest opnieuw: er was eens een schelm.

Op 6 mei 1895 werd dit geniale muziekschilderij door de toen 31-jarige Strauss voltooid. Scherp als een gravure van Dürer, bont als een schilderij van Brueghel tekende de componist de eeuwige Till. Hij leidt de legende in, belicht ook de ernst en de angst van de vrolijke volksheld en in de epiloog keert hij terug tot zijn uitgangspunt. De briljante afsluiting is de reactie op het oordeel van de strenge rechters, op de boosheid van de farizeeërs, de jaloezie van de nette burgers en de kleinheid van de gekrenkten.

Till is dood, maar voor ons blijft hij altijd bestaan.

CREDITS

componisten
Joseph Haydn, Giuseppe Torelli, Richard Strauss, Samuel Barber, George Gershwin
dirigent
Edo de Waart
sopraan
Catherine Malfitano
piccolo trompet
John Floore