Berio, Martin, Maderna, Dallapiccola

Het Nederlands Kamerkoor, Utrechts Symfonie Orkest

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Programma

Luciano Berio – Sequenza III (1965)

voor zangstem solo

 

Frank Martin – Songs of Ariël, vijf liederen naar William Shakespeare’s The Tempest (1950)

 

Bruno Maderna – Tre Liriche Greche (1948)

Canto mattutino

Le Danaidi

Stellato

 

Pauze

 

Luigi Dallapiccola – Canti de Prigionia (1938-1941)

Preghiera di Maria Stuarda

Invocatione di Boezio

Congedo di Girolamo Savonarola

Achtergrondinformatie

Sequenza III

Luciano Berio, leerling van Ghedini en Dallapiccola, heeft met zijn Sequenza’s een serie solostukken gecomponeerd, waarin van de executant een uiterste aan virtuositeit wordt geëist en het vermogen om andere dan de conventionele muzikaal-technische middelen aan te wenden. Sequenza III is voor solozangstem. De tekst van deze Sequenza is een fonetisch spel, gebaseerd op het volgende gedicht van Markus Kutter:

‘give me – a few words – for a woman

To sing a truth – allowing us – to build

A house – without worrying – before night comes’.

 

Er is in Berio’s Sequenza geen sprake van een toonzetting van het gekozen gedicht in de gebruikelijke zin van het word. In het compositorische proces blijft van de oorspronkelijke tekst nauwelijks iets heel, omdat Berio de woorden en woordverbindingen verbreekt. Er zijn nog wel woorden, woordconstructies en woordsamenhangen, al hoeft dat niet in de strikte volgorde van Kutter’s tekst te zijn. Maar opvallender is toch de wijze, waarop Berio in zijn composities gebruik maakt van de kleinste bestanddelen van de taal: van morfemen – losse klanken en letters – en van fonemen – verbinden van morfemen tot en met lettergrepen.

Het aantal technieken, waarop de zangeres haar stem moet gebruiken is legio: conventioneel zingen en articuleren, gejaagd babbelen, stotteren, zoemen, fluisteren, lachen, kuchen, hoesten, neusklanken etc.

Daarnaast wordt van de zangeres verlangd, dat zij anders dan met haar stem geluiden maakt, bijvoorbeeld in de handen klappen, met de vingers knippen. Berio schrijft verder een aantal bewegingen voor, waarvan sommige de klank van het stemgeluid beïnvloeden, zoals de hand voor de mond houden; andere zijn louter bewegingen, die noch het geluid beïnvloeden noch zelf geluid produceren.

De structuur van de Sequenza wordt bovendien nog bepaald door een snel wisselende reeks van interpretatie- en emotieaandoeningen, zoals: beheerst, nadenkend, vrolijk, vertwijfeld, extatisch, dromerig, gejaagd, etc.

 

Songs of Ariël

Toen Frank Martin rond 1950 op het hoogtepunt van zijn creatief vermogen was, liep hij met het plan rond om Shakespeare’s Tempest van muziek te voorzien. Martin heeft op dat moment al een reeks van belangrijke vocale werken gecomponeerd. In chronologische volgorde zijn dat: Le vin herbé, Der Cornet, zes monologen uit Jedermann van Hugo von Hoffmannsthal, en de oratoria In terra pax en Golgotha. In al deze werken heeft Martin bewezen dat hij met groot meesterschap epische teksten muzikaal weet te behandelen. Maar een dichtwerk als de Tempest met zijn vele duizenden verzen vereist een uiterst zorgvuldige benadering. Heel behoedzaam bereidde Martin zich op deze geweldige onderneming voor.

In 1950 kreeg Frank Martin van het Nederlands Kamerkoor een compositie opdracht. Deze gelegenheid greep hij aan om als voorproefje van het grote werk de verschijning van de etherische luchtgeest Ariël muzikaal gestalte te geven. En zo ontstonden in datzelfde jaar de Songs of Ariël, cinq pièces tirées de la Tempête de Shakespeare pour choeur a cappella, dédié à Felix de Nobel et à son merveilleux Nederlands Kamerkoor.

Ariël is in het drama van Shakespeare een persoon, die actief aan de handeling deelneemt, maar hij houdt een aantal korte monologen, die een gesloten karakter hebben. Deze kunnen als zelfstandige, complete gedichten gerust uit het grote geheel gelicht worden. Deze werkwijze was Martin trouwens niet vreemd; hij had dat al eerder ondernomen met de Jedermann monologen.

 

Canti di prigionia

De Canti di prigionia van Dallapiccola (gevangenisliederen) zijn van 1938 tot 1941 geschreven voor koor en kamerorkest. Dit laatste in de volgende bijzondere samenstelling: twee piano’s, twee harpen, xylofoon, vibrafoon, klokken, tam-tam’s, bekkens, trommels en pauken. In alle drie stukken hoort men als een cantus firmus de melodie van het Dies irai en wel uitsluitend in het orkest. Na het lezen van Stefan Zweig’s Maria Stuart – die 24 jaar in de gevangenis heeft doorgebracht – en onder de indruk van het fascistisch rassen-manifest van 1938, schreef Dallapiccola het eerste deel van deze Canti: “het gebed van Maria Stuart in kerken”. De tekst van het tweede deel is ontleend aan De consolatioine philosophiae van Boetius, die dit werk tijdens zijn gevangenschap schreef.

De tekst van het laatste deel is van Savonarola, de tragische priester, die in zijn preken de moraal van zijn tijd hekelde en in 1498 te Florence verbrand werd. De dood heeft hem belet zijn laatste werk te voltooien; dit was een overpeinzing over de psalm: In te Domine speravi. Ook dit werk werd in de gevangenis geschreven. 

CREDITS

componisten
Luciano Berio, Frank Martin, Bruno Maderna, Luigi Dallapiccola
dirigenten
Hans van den Hombergh, Paul Hupperts
sopraan
Anne Haenen
instudering koor
Joop Schets