De kaukasische krijtkring

Nederlandse Toneelmanifestatie

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

Bertolt Brecht laat een oude ballade op het toneel weer voor ons leven. Hij verhaalt en toont ons, hoe lang geleden de Georgische Prinsen tegen de Grootvorst in opstand kwamen. De revolutie richtte zich ook tegen zijn medestanders en zo horen en zien wij dat de Gouverneur van de stad Nukha, Georgi Abaschwili, gevangen wordt genomen en onthoofd. Zijn vrouw, meer bezorgd om haar kleren dan om haar kind, vlucht voor het geweld, in gezelschap van de adjudant Shalva. Zij laat haar kind achter, maar geen der dienstboden durft de kleine zuigeling, op wiens hoofd een prijs is gesteld, onder haar hoede te nemen. Maar Grusche Vachnadze, het keukenmeisje hoort, of denkt te horen als zij met de anderen mee wil vluchten, een stem die zegt:

“Bedenk vrouw, wie aan een noodkreet geen oor leen. Maar er doof en verschrikt aan voorbij gaat: nóóit zal zulkeen meer horen de zachte roep van de liefste noch bij ’t ochtendkrieken de merel of de voldane zucht van de doodmoede druivenplukker bij ’t angelus”

Achtergrondinformatie

Zij waakt een hele nacht bij het kind, dan besluit zij het te redden en begint zij haar lange reis naar de andere kant van de Noordelijke bergen, waar haar broer Lavrenti woont en zij een onderkomen hoopt te vinden. Achtervolgd door de pantserruiters bereikt zij de Janga-Tau pas. Zij waagt haar leven om de diepe kloof met het kind over te steken, maar bevrijdt zich daardoor van haar achtervolgers en wordt, tot de lente komt, in het huis van haar broer opgenomen. Maar Lavrenti, bevreesd voor zijn godsdienstige vrouw en het oordeel der mensen, weet haar voor het kind, dat hij voor het hare houdt, een vader aan te praten. De moeder van een stervende boer wil voor een flink bedrag aan geld haar zoon wel met de ongetrouwde moeder in de echt laten verbinden. Als de bijna doodgewaande bij het huwelijksfeest hoort dat de oorlog voorbij is, blijkt hij gesimuleerd te hebben om de dienstplicht te ontlopen. Simon Chachava, haar verloofde, vindt haar wanneer hij uit de oorlog terugkeert, als getrouwde vrouw en moeder van een kind. De politieke situatie in het land heeft zich inmiddels gewijzigd. De gouverneursvrouw, terug in Nukha, heeft pantserruiters uitgezonden om het kind te halen en naar de hoofdstad terug te voeren.
In het tweede deel van het stuk zal de beslissing vallen aan wie de beide moeders het kind zal worden toegewezen. De man die dit vonnis moet vellen is Azdak, een dorpsschrijver. Door een wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden, alleen mogelijk omdat de chaos van de oorlog iedere redelijkheid opzij schuift, wordt hij tot rechter benoemd. En de meest wonderlijke rechter die Groezïe ooit gekend heeft.
Na in allerlei vreemde rechtszaken onverwachte uitspraken te hebben gedaan moet hij de procedure behandelen van de Gouverneursvrouw tegen Grusche. Hij laat, evenals in de oude legende, het kind in een krijtcirkel zetten en de beide vrouwen ieder aan een kant plaats nemen. Dan zullen zij moeten trachten het kind uit de kring te trekken. Grusche laat tot tweemaal toe de hand van de kleine Michel los, daar zij hem geen pijn wil doen. Dat is voor Azdak het bewijs dat zij de meest moederlijke gevoelens heeft en het kind wordt haar toegewezen. Als hij dan bij vergissing nog de scheiding van haar huwelijk met de boer uitspreekt, staat niets haar meer in de weg het verdere leven met Simon te delen.
De verteller besluit het stuk met de woorden:

“Gij echter, toehoorders van dit verhaal van de krijtkring
Prent in uw geheugen deze wijsheid der Ouden
Dat alles wat is van hen zij die het hun hart schenken
Dat dus de kinderen van de moederlijken, opdat zij gedijen
Dat de wagen zij van de goede menner, opdat goed gemend wordt
En het dal van de bevloeiers, opdat het vrucht draagt.”

CREDITS

tekst
Bertolt Brecht
vertaling
Gerrit Kouwenaar
regie
Richard Flink
decors
Johan Greter
kostuums
Ruth Hellmer, Johan Greter
muziek
Paul Dessau
uitvoering
Nederlandse Toneelmanifestatie, ad hoc instrumentaal ensemble
dirigent
Cor Lemaire
productie
Marius Kip
cast
Nell Koppen (boerin), Ton Lutz (Arkadi Tscheidse), Lia Dorana (Grusche Vachnadze), Elly van Stekelenburg (Aniko Vachnadze), Frans van der Lingen (Simon Chachava), Erik van Ingen (Salva), Bob de Lange (Azdak), Jan Teulings (Arsen Kazbeki), Anny de Lange (Natella Abaschwili) ea