Moortje

Nederlandse Toneelmanifestatie

U kijkt nu naar een voorstelling uit het archief van Holland Festival

“Het is mijns al eens of de woorden uit het vuilnisvat of uit de sierlijkste en grootste schatkamers van de wereld komen, want ik heb als schilder de schilderachtige spreuke gevolgd die daar zeit: ‘het zijn de beste schilders die het leven naast komen’ “
G.A. Bredero

Achtergrondinformatie

De manier, waarop in de Amsterdamse Kamer d’Egelantier, die vlakbij zijn huis gelegen was, de redelijkers verzen zegden en spelen opvoerden, ontlokte Brederoo bij monde van Reynier, een der personagiën uit Moortje de uitspraak:

“’k ben liever in de kroeg bij een excellente Trijn;
Ik mag zolang ook bij geen Redenrijkers zijn:
Zij zeggen op haar les, zo stemmig en zo stijf
Al waar gevoerd, gevult met klaphout al haar lijf”

Daarentegen is hij verrukt van:

“d’Engelse of andere uitlandse
Die men hoort zingen, en zo lustig ziet danse
Dat zij suizebollen, en draaien als een tol:
Zij spreken ’t uit haar geest”

Men kan zonder twijfel aannemen, dat Bredero hier aan Shakespeare dacht. Nochtans heeft hij het rederijkerselement niet uit zijn Moortje kunnen weren, hoewel hij een voorbeeld van klassieke toneelschrijfkunst, Terentius, heeft ‘naeghevolght’. Overigens is Terentius’ Eunuchum niet zijndirecte bron geweest. Hij was geen classicus en volgde met zijn weinig kinds-schoolfrans dat hem in ’t hoofd rammelde, een Franse bewerking van Jean Bourier en een vertaling van de Antwerpse rederijker Cornelis van Ghistele. De navolging van Terentius is dus wel zeer vrij en Bredero meende zich derhalve te moeten verontschuldigen tegenover de classici in zijn Rede aan de Latijnse Geleerden.
In de laatste twee versregels van Moortje vindt Brederode tenslotte dat Terentius meer dank verdient dan hij en schrijft:

“zo looft niet onzer Dichter,
Maar ’t Africaanse hooft, der Roomser spelen stichter.”

Publius Terentius Afer, een Charthaginees, noemde Brederoo hier “’t Africaanse hooft” en “der Roomser spelen stichter” omdat Terentius met Plautus en Menander tot de beroemde Romeinse blijspeldichters behoort.
Het is evenwel niet ondenkbaar, dat hij Terentius ook navolgde om de in zijn Eunuchum voorkomende haetare. Wanneer men namelijk het Groot-Liedboek doorbladert komt men in de Grote Bron der Minne het gedicht tegen Moy-Aeltjen is ’t zo haast vergeten? Zijn verliefdheid op en zijn teleurstelling in Moy-Ael spreken uit dit gedicht zo overduidelijk, dat hij in Moortje mogelijk een uitlaat heeft gezocht voor zijn teleurstelling over het gedrag ‘der looser lichte vrouwen’. De eerste opvoering van Moortje vond plaats in de Oude Amsterdamsche Kamer in 1615. In 1615 derhalve sprak men nog tot het publiek. In 1617 echter speelde men voor het publiek.

Een stuk als Moortje, in vele opzichten een gesproken stuk, wordt dus na 1617 een scenisch probleem. Evenwel heb ik gemeend de allerminst met het toneel-gebeuren van doen hebbende uitweidingen in hun dichterlijkheid onaangetast te moeten laten. Bredero geeft overigens een onmiskenbaar blijk van dramatisch kunnen. Op die plaatsen echter waar hij in de handeling evenmin aan de rederijkerij ontkomt, meende ik – met nederig excuus aan de dichter – enige bekortingen te moeten aanbrengen. Dit om het toneelgebeuren, noch de toeschouwer te zeer geweld aan te doen.

CREDITS

tekst
G.A. Bredero
regie
Ton Lutz
decor/kostuums
Nicolaas Wijnberg
cast
Lies Franken (Katrijntje), Karin Haage (Klaartie Klonters), Magda Janssens (Geertruy), Myra Ward (Moy-Aal), Ton van Duinhoven (Reynier), Hans Kaart (Kackerlack), Coen Flink (Ritsart), Guur Hermus (Roemert), Bert van der Linden (Jan-Neef), Luc Lutz (Frederyck), Paul Steenbergen (Koenraat), Johan Walhain (Writsart)